wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 5 Gaswisseling 4-GT

Total questions: 38

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

medicijnen voor astma helpen om de spiertjes om de luchtpijptakjes aan te spannen

a)

waar

b)

niet waar

2.

Een stigma is het wijd vertakt kanaal waarmee insecten van zuurstof worden voorzien

a)

waar

b)

niet waar

3.

Bij vissen zijn bij inademing de bek open en de kieuwdeksels open

a)

waar

b)

niet waar

4.

De allergie voor een huisstofmijt wordt veroorzaakt door

a)

de schilfers van de huismijt

b)

de poep van de huismijt

c)

de plas van de huismijt

d)

door stof op zijn poten

5.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

ze een heel groot oppervlakte samen hebben

b)

ze een dikke wand hebben

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

ze makkelijk water kunnen uitwisselen

6.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

7.

Welk nummer stelt de huig voor?

a)

1

b)

10

c)

2

d)

8

8.

Wat is de stand van de huig en strottenklep bij inademen?

a)

open, open

b)

dicht,open

c)

open, dicht

d)

beide dicht beide dicht

9.

Welke dieren zijn warmbloedig?

a)

1,3 en 4

b)

2 en 3

c)

1, 3, 6

d)

1, 4 en 9

10.

Wat is de indicator voor CO2

a)

kalkwater

b)

jodium

c)

helder kalkwater

d)

Fehling A en B

11.

Bij inademen gaan de ribben en het middenrif omhoog

a)

waar

b)

niet waard

12.

Welke factoren vergroten je vitale capaciteit

a)

veel trainen, roken en weinig longblaasjes

b)

groot hart, man, training

c)

grote borstspieren, grote neusgaten, niet roker

d)

grote longen, veel longblaasjes, training

13.

Welke letter geeft de luchtpijp aan?

a)

J

b)

K

14.

Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

15.

Waar vind gaswisseling bij eencelligen plaats?

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Celkern

d)

Celwand

16.

Welke organismen hebben tracheeën?

a)

Amfibiën

b)

Vissen

c)

Insecten

d)

Reptielen

e)

Vogels

17.
In de lucht die we uitademen zit
a)
meer zuurstof
b)
meer koolstofdioxide
c)
minder koolstofdioxide
d)
minder stikstof
18.
Welke doorsnede hoort bij een astma-aanval
a)
de linker
b)
de rechter
c)
allebei
d)
geen van twee
19.
Inademen door je neus is beter dan door je mond omdat
a)
de lucht droger wordt
b)
de lucht af kan koelen
c)
de lucht schoner wordt
d)
je je dan niet snel verslikt
20.
Welke weg ,legt de ingeademde lucht af in het ademhalingsstelsel?Wat is het juiste antwoord?
a)
Neusholte-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp-bronchie
b)
neusholte-bronchie-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp
c)
neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
d)
keelholte-neusholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
21.
Nummer 7 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
een longblaasje
d)
de huig
22.

Uitgeademde lucht bevat meer waterdamp dan ingeademde lucht

a)

waar

b)

niet waar

23.

In de bronchiën vindt gaswisseling plaats

a)

waar

b)

niet waar

24.

Bij inademen gaan de ribben en het middenrif omhoog

a)

waar

b)

niet waar

25.

Wat is de oorzaak van copd?

a)

werken met gras

b)

astma

c)

huisstofmijt

d)

roken

26.

Een insect ademt via zijn mond

a)

waar

b)

niet waar

27.

Hoe heten de openingen aan de zijkant van het achterlijf van een rups?

a)

Tracheeën

b)

Stigma's

28.
Wat is de juiste volgorde van het inademen?
a)
ribben omhoog en middenrif plat -> borstholte groter -> longen groter -> lucht in de longen
b)
ribben omhoog en middenrif plat-> lucht in de longen -> borstholte groter -> longen groter 
c)
borstholte groter -> longen groter -> lucht in de longen ->ribben omhoog en middenrif plat 
29.
Hoe maak je met de borstademhaling je borstholte groter?
a)
door zuurstof
b)
door je ribben
c)
door je tussenribspieren
d)
door je middenrifspieren
30.
Hoe maak je met je buikademhaling je borstholte groter?
a)
door je middenrifspieren
b)
door je tussenribspieren
c)
door zuurstof
d)
door je ribben
31.
Hoe komt de lucht in je longen?
a)
neusholte/keelholte -> luchtpijp -> bronchiën -> luchtpijptakjes -> longblaasjes
b)
neusholte/keelholte ->  bronchiën -> luchtpijptakjes -> longblaasjes
c)
luchtpijp -> bronchiën -> luchtpijptakjes -> longblaasjes
d)
neusholte/keelholte -> luchtpijp -> bronchiën ->longblaasjes-> luchtpijptakjes 
32.
In de longblaasjes vindt gaswisseling plaats. Hoe?
a)
1. Zuurstof gaat vanuit de lucht naar het bloed.
2. Koolstofmonodioxide gaat gaat vanuit het bloed naar de lucht.
b)
1. Zuurstof gaat vanuit het bloed naar de lucht.
2. Koolstofdioxide gaat gaat vanuit de lucht naar het bloed.
c)
1. Zuurstof gaat vanuit de lucht naar het bloed.
2. Koolstofdioxide gaat gaat vanuit het bloed naar de lucht.
d)
1. Zuurstof gaat vanuit de lucht naar het bloed.
2. Koolstofdioxide gaat gaat vanuit het bloed naar de lucht.
33.
Wat zorgt ervoor dat de lucht schoon en vochtig blijft in de neusholte, luchtpijp en bronchiën?
a)
zuurstof
b)
slijmvlies
c)
neusharen
d)
bloedcellen
34.
Waar zwiepen de trilhaartjes slijm met vastgeplakt stof en ziekteverwekkers naar toe?
a)
Naar de keelholte
b)
Naar de longen
c)
Naar de luchtpijp
d)
Naar de bronchiën
35.
Door via de neus in te ademen....
a)
wordt de lucht warmer en je ruikt beter
b)
wordt de lucht kouder en je ruikt beter
c)
wordt de lucht warmer en je hoort beter
d)
wordt de lucht warmer en je ziet beter
36.
Rondom de longblaasjes zitten veel...
a)
longblaasjes
b)
trilharen
c)
haarvaten
d)
bronchiën
37.
De luchtpijp verspringt in twee vertakkingen. Hoe noemen we dit?
a)
De luchtpijp
b)
De bronchiën
c)
De longen
d)
De longblaasjes
38.
Welke twee manieren zijn er om in- en uit te ademen?
a)
middenrifademhaling en buikademhaling
b)
ribademhaling en borstademhaling
c)
Rib-/borstademhaling en middenrif-/ buikademhaling
d)
Er is maar één manier