wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M1 onderwerp voorkennis

Total questions: 20

Worksheet time: 3mins

Name
Class
Date
1.

Hij schrijft de brief nog met een pen.

a)

hij

b)

schrijft

c)

de brief

d)

met een pen

2.

In de sloot zwemmen mooie vissen.

a)

in de sloot

b)

zwemmen

c)

mooie vissen

d)

in de sloot zwemmen

3.

Tijdens het klassenuitje heb jij een vis gevangen.

a)

klassenuitje

b)

een vis

c)

heb gevangen

d)

jij

4.

De papierbak moet nodig geleegd worden door de conciërge!

a)

door de conciërge

b)

moet

c)

de papierbak

d)

nodig

5.

In de vakantie gaan wij met de trein naar Noorwegen.

a)

naar Noorwegen

b)

wij

c)

gaan

d)

mijn vriendin

6.

De blauwe kleur is misschien het juiste antwoord.

a)

de blauwe kleur

b)

is

c)

misschien

d)

het juiste antwoord

7.

In de appeltaart zitten zes appels.

a)

in de appeltaart

b)

zes appels

c)

zitten

d)

in de appeltaart zitten

8.

Ik geef de kippen elke morgen voer.

a)

ik

b)

geef

c)

de kippen

d)

elke morgen voer

9.

Zullen we samen naar de bioscoop?

a)

bioscoop

b)

samen

c)

we

d)

zullen

10.

Op school werken de mannen in blauwe overalls hard aan een nieuwe kantine.

a)

de mannen

b)

werken

c)

de mannen in blauwe overalls

d)

aan de nieuwe kantine

11.

De dames winnen de eerste wedstrijd tijdens het voetbalkampioenschap.

a)

de dames

b)

de eerste wedstrijd

c)

winnen

d)

tijdens het voetbalkampioenschap

12.

Onze hond wordt begraven in de tuin door mijn vader.

a)

in de tuin

b)

ligt

c)

onze hond

d)

mijn vader

13.

Zij heeft een struik voor de vlinders geplant.

a)

voor de vlinders

b)

heeft geplant

c)

een struik

d)

zij

14.

In Friesland krijgen de scholen over vijf weken vakantie.

a)

in Friesland

b)

vakantie

c)

over vijf weken

d)

de scholen

15.

Zullen we in Slagharen samen in een achtbaan?

a)

zullen

b)

we

c)

samen

d)

in een achtbaan

16.

Waarom wordt zij in het water geduwd door Peter?

a)

zij

b)

waarom

c)

in het water

d)

Peter

17.

Wie kocht dat mooie cadeautje voor mij?

a)

dat mooie cadeautje

b)

voor mij

c)

wie

d)

cadeautje

18.

Morgen wordt het prachtig weer.

a)

morgen

b)

prachtig weer

c)

wordt

d)

het

19.

De man met de hoge hoed heeft zijn arm in een mitella.

a)

de man

b)

de man met de hoge hoed

c)

hoge hoed

d)

in een mitella

20.

Wanneer heeft hij jou geantwoord op die vraag?

a)

wanneer

b)

hij

c)

jou

d)

vraag