wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 organismen leven samen

Total questions: 32

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn biotische factoren?

a)

Levende factoren

b)

Niet levende factoren

2.

Wat is een goede beschrijving van een wortelrozet?

a)

Groeien voordat de bomen blad gaan krijgen, voor voldoende licht.

b)

Klimmen omhoog met hechtwortels voor licht.

c)

Voorkomt dat planten vlak naast hen gaan groeien.

d)

Hebben kleine maar dikke bladeren met een zacht laagje erop.

3.

Er is een nieuwe diersoort ontdekt. Dit dier heeft een fantastische schutkleur, korte snuit en poten en kleine oren. Wat voor soort dier is dit?

a)

Warmbloedig dier in een koude omgeving

b)

Warmbloedig dier in een warme omgeving

c)

Warmbloedig dier in een normaal klimaat

4.

Deze snavel heeft ribbels op de randen om het water uit de bek te laten lopen.

a)

Haaksnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Kegelsnavel

d)

Zeefsnavel

5.

Met deze poten kunnen deze dieren door hoog gras lopen of ondiep water.

a)

Grijppoten

b)

Zwempoten

c)

Steltpoten

d)

Klimpoten

6.

Wat is een synoniem voor een alleseter?

a)

Omnivoor

b)

Herbivoor

c)

Carnivoor

7.

Welk deel van de plant zorgt voor stevigheid en het opnemen van water

a)

Wortel(haren)

b)

Stengel

c)

Bladeren

d)

Bloem

8.

Wat waren de stoffen die een plant opneemt? (meerdere antwoorden goed)

a)

Koolstofdioxide

b)

Water

c)

Zonlicht

d)

Mineralen

9.

Mineralen horen bij de fotosynthesereactie

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Van glucose kan een plant door middel van mineralen vetten, zetmeel, eiwitten etc. maken

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Waarom staan de huidmondjes op een warme zomerdag niet open?

a)

Omdat er dan minder koolstofdioxide in de lucht is.

b)

Om minder zuurstof vrij te laten in de lucht.

c)

Omdat zo minder water wordt verdampt.

12.

Deze vaten lopen aan de binnenkant van de vaatbundel en zijn groter dan de ander

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

13.

Door deze vaten loopt het water met mineralen

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

14.

Waardoor wordt het water van beneden naar boven 'gezogen' door een boom?

a)

Doordat er gaswisseling in de bladeren plaatsvindt.

b)

Doordat er in de bladeren water verdampt.

c)

Doordat er meer zuurstof wordt gemaakt en dit de bladeren uitgaat.

15.

CO2 =

a)

Koolstofdioxide

b)

Water

c)

Glucose

d)

Zuurstof

16.

H2O =

a)

Koolstofdioxide

b)

Water

c)

Glucose

d)

Zuurstof

17.

Welk proces gebeurt zowel overdag als 's nachts?

a)

Fotosynthese

b)

Verbranding

18.

Bij fotosynthese is er energie nodig (zonlicht) en bij verbranding komt er energie vrij

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Brandstoffen ...

a)

zijn er om nieuwe cellen te maken

b)

zorgen dat alle processen goed gaan

c)

leveren energie

d)

zorgen voor opslag

20.

Dikke bladeren die dicht tegen elkaar aan zitten. De reservestoffen zitten in de bladeren, bijv. bij een ui.

a)

Knollen

b)

Bollen

21.

Welke piramide heeft altijd een piramidevorm?

a)

Piramide van biomassa

b)

Piramide van aantallen

22.

De mens staat bovenaan de voedselketen

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

De producent (plant) wordt in een voedselketen altijd opgevolgd door een carnivoor.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Bijv. een groep olifanten en een groep leeuwen die bij elkaar in een bepaald gebied leven. Dit samen noem je een ...

a)

Individu

b)

Populatie

c)

Levensgemeenschap

d)

Ecosysteen

25.

Welke stoffen worden doorgegeven in een voedselketen

a)

Energierijke stoffen

b)

Onverteerbare stoffen

c)

Bouwstoffen

26.

Wat is de goede volgorde van klein naar groot?

a)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

b)

Populatie - levensgemeenschap - individu - ecosysteem

c)

Individu - ecosysteem - levensgemeenschap - populatie

d)

Populatie - levensgemeenschap - ecosysteem - indivdu

27.

Wat is er in het plaatje afgebeeld

a)

Schakel

b)

Voedselweb

c)

Voedselketen

28.

In een voedselketen wijst de pijl altijd naar ...

a)

Degene die gegeten wordt

b)

Degene die de ander opeet.

29.

Is het een biotische of abiotische factor?

a)

Biotische factor

b)

Abiotische factor

30.

Is het een biotische of abiotische factor?

a)

Biotische factor

b)

Abiotische factor

31.

Een voedselketen begint altijd met een ...

(a)  

32.

Stelling: In het donker vindt er geen verbranding plaats.

a)

Juist

b)

Onjuist