wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 basis hoofdstuk 6 energie

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Welke stelling is niet waar?

a)

Om een stukje te wandelen is energie nodig.

b)

Energie kan nooit verloren gaan.

c)

Voor alle dingen die je doet, is energie nodig.

d)

Energie kan verloren gaan.

2.

Michel zegt: 'Met energie kun je arbeid verrichten.'

Nicole zegt: 'Er is maar één soort energie.'

Wie heeft gelijk?

a)

alleen Michel

b)

alleen Nicole

c)

beiden gelijk

d)

beiden hebben ongelijk

3.

Mike zegt: 'In een mixer wordt elektrische energie omgezet in bewegings-energie.'

Suzanne zegt: 'Energie omzetten is hetzelfde als arbeid verrichten.'

Wie heeft gelijk?

a)

alleen Mike

b)

alleen Suzanne

c)

beiden hebben gelijk

d)

beiden hebben ongelijk

4.

welke stelling is niet waar?

a)

Het schema van de energie-omzetting in een windturbine is:


windenergie -> elektrische energie

b)

De energie-omzetting in een lamp is:


chemische energie -> licht en warmte

c)

Thermische energie is een ander woord voor warmte.

5.

Welk soort energie levert een dynamo?

a)

bewegingsenergie

b)

chemische energie

c)

elektrische energie

d)

licht

6.

Welk soort energie levert een batterij?

a)

bewegingsenergie

b)

elektrische energie

c)

chemische energie

d)

licht

7.

Welke stelling is niet waar?

a)

Een ander woord voor warmte is chemische energie.

b)

Mensen en dieren hebben spierenergie.

c)

Als je fietst, zet je spierenergie om in bewegings-energie.

d)

Bij verbranding van een brandstof wordt chemische energie omgezet in warmte.

8.

Welk soort energie zit in brandstof?

a)

chemische energie

b)

elektrische energie

c)

bewegingsenergie

d)

licht

9.

Welk apparaat werkt NIET op aardgas?

a)

boiler

b)

cv-ketel

c)

geiser

d)

stofzuiger

10.

Welke stelling is niet waar?

a)

Schalie is steen waarin kleine stukjes steenkool zitten.

b)

Aardgas zit in grote bellen diep onder de grond.

c)

Door het oppompen van aardgas kunnen aardbevingen ontstaan.

11.

Welke 2 apparaten werken op aardgas?

a)

cv-ketel van de centrale verwarming

b)

geiser

c)

magnetron

d)

scooter

12.

Welke 2 brandstoffen zijn ontstaan uit plantenresten?

a)

aardgas

b)

aardolie

c)

steenkool

d)

uranium

13.

Welke stelling is niet waar?

a)

Benzine wordt van aardolie gemaakt.

b)

Schalie is steen waar kleine belletjes aardgas in zitten.

c)

Steenkool is ontstaan uit plankton.

14.

Hoe worden aardgas, aardolie en steenkool ook wel genoemd?

a)

fossiele brandstoffen

b)

gasvormige brandstoffen

c)

vaste brandstoffen

d)

vloeibare brandstoffen

15.

welke stelling is niet waar?

a)

Aardolie is de grondstof voor asfalt.

b)

Aardolie is een fossiele brandstof.

c)

Plastic wordt van steenkool gemaakt.

16.

Mohamed zegt: 'Benzine wordt van aardolie gemaakt.'

Sanne zegt: 'Dieselolie wordt van aardgas gemaakt.'

Wie heeft gelijk?

a)

alleen Mohamed

b)

alleen Sanne

c)

beiden hebben gelijk

d)

beiden hebben ongelijk

17.

Welke stelling is waar?

a)

Door het broeikaseffect wordt het kouder op aarde.

b)

Zure regen ontstaat door zwavelgassen en stikstofgassen in de lucht.

c)

Zure regen ontstaat door koolstof-dioxide in de lucht.

18.

Kim gebruikt indicator-papier om de zuurgraad van een vloeistof te meten.

Ze meet een pH-waarde van 5.

Wat voor vloeistof heeft Kim gemeten?

a)

een basische vloeistof

b)

een zure vloeistof

c)

een neutrale vloeistof

19.

Finn gebruikt indicator-papier om de zuurgraad van een vloeistof te meten.

Hij meet een pH-waarde van 9.

Wat voor vloeistof heeft Finn gemeten?

a)

een basische vloeistof

b)

een zure vloeistof

c)

een neutrale vloeistof

20.

Welk gas heb je nodig om een brandstof te verbranden?

a)

koolstofdioxide

b)

koolzuurgas

c)

stikstof

d)

zuurstof

21.

welke 2 stellingen zijn niet waar?

a)

Door het broeikaseffect wordt het kouder op aarde.

b)

Koolstof-dioxide zit in de lucht. Het houdt de warmte van de zon vast.

c)

Door het broeikaseffect wordt het warmer op aarde.

d)

Koolstof-dioxide in de lucht houdt het broeikaseffect tegen.

22.

Welk gas ontstaat bij verbranding van fossiele brandstoffen?

a)

aardgas

b)

koolstofdioxide

c)

stikstof

d)

zuurstof

23.

Welk deel van een elektriciteits-centrale wekt elektische energie op?

a)

de brander

b)

de generator

c)

de stoomketel

d)

de stoomturbine

24.

welke stelling is niet waar?

a)

In een elektriciteits-centrale wordt chemische energie omgezet in elektrische energie.

b)

Generator is een ander woord voor stoomturbine.

c)

In een elektriciteits-centrale wordt elektrische stroom opgewekt.


Via hoogspannings-kabels wordt de stroom verdeeld over het land.

25.

Welke stelling is waar?

a)

In een zonne-boiler wordt elektriciteit opgewekt door de warmte van de zon.

b)

Duurzame energie is energie uit bronnen die niet opraken.

c)

Duurzame energie kan opraken, net als energie uit fossiele brandstoffen.

26.

Welke nadeel heeft een waterkracht-centrale?

a)

als een waterkrachtcentrale wordt aangelegd, moeten mensen soms verhuizen

b)

de energiebron van een waterkrachtcentrale kan opraken

c)

de waterkrachtcentrale stoot veel koolstofdioxide uit

d)

de waterkrachtcentrale vervuilt het water dat door de centrale loopt

27.

Welke twee nadelen heeft windenergie?

a)

bij het opwekken van wind-energie komt er veel koolstofdioxide vrij

b)

bij het opwekken van wind-energie wordt er een bron gebruikt die op kan raken

c)

de windturbines maken geluid waar mensen last van kunnen hebben

d)

de windturbines zorgen voor horizonvervuiling

28.

welke twee stellingen zijn waar?

a)

In een zonne-paneel wordt elektriciteit opgewekt door een generator.

b)

In een zonne-boiler wordt water verwarmd door de warmte van de zon.

c)

In een zonne-paneel wordt elektriciteit opgewekt door zonne-cellen.

d)

In een zonne-boiler wordt elektriciteit opgewekt door de warmte van de zon.

29.

Welke brandstoffen horen bij biomassa?

a)

koeienmest

b)

steenkool

c)

tuinafval

d)

suikerbieten

30.

Welke stelling is niet waar?

a)

Een kerncentrale die versleten is, wordt ontmanteld.

b)

Uranium-erts uit de grond halen is schadelijk voor het milieu.

c)

Elektrische energie die wordt opgewekt met biomassa is groene stroom.

d)

Bij de verbranding van biomassa komen geen schadelijke stoffen vrij.

31.

Wat is een groot nadeel van kernenergie?

a)

de radioactieve elektriciteit

b)

de zure regen

c)

het radioactief afval

d)

het broeikaseffect

32.

Wat zijn voordelen van kernenergie, als je het vergelijkt met energie uit fossiele brandstoffen?

a)

bij het opwekken van kernenergie ontstaat er geen gevaarlijke schading

b)

bij het opwekken van kernenergie ontstaat er geen koolstofdioxide

c)

bij het opwekken van kernenergie ontstaan er geen rookgassen

d)

kernenergie is goedkoper dan energie uit fossiele brandstoffen

33.

Zijn de volgende stellingen waar of niet waar?

  • Een versleten kerncentrale kan worden hergebruikt. Je kunt er een ander soort elektriciteits-centrale van maken.
  • Uranium-erts uit de grond halen is milieu-vriendelijk.
a)

waar

b)

niet waar

34.

Welke stelling is niet waar?

a)

Door goed te isoleren, kun je energie besparen.

b)

Met een hr-ketel kun je op stookkosten besparen.

c)

Een apparaat dat op stand-by staat, verbruikt nog steeds energie.

d)

Een apparaat dat op stand-by staat, verbruikt geen energie.

35.

Op apparaten zit een energie-label.


Welk apparaat is het zuinigst?

a)

label A+++

b)

label A

c)

label D

d)

label Z

36.

Op apparaten zit een energie-label.


Welk apparaat is het minst zuinig?

a)

label A+++

b)

label A

c)

label D

d)

label Z

37.

Welke lamp gaat het langst mee?

a)

een gloeilamp

b)

een spaarlamp

c)

een led-lamp

38.

Welke soort lamp is het zuinigst?

a)

een gloeilamp

b)

een ledlamp

c)

een spaarlamp