wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vierhoeken

Total questions: 20

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Een vierhoek is ...

a)

een vlakke figuur gevormd door vier hoeken en vier zijden.

b)

een figuur met vier hoeken.

c)

een vlakke figuur met drie hoeken en drie zijden.

d)

een ruimtefiguur met vier hoeken en vier zijden.

2.

Een trapezium is een ...

a)

ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

vlakke figuur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

d)

ruimtefiguur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

3.

Een gelijkbenig trapezium is

a)

een trapezium met 2 rechte hoeken.

b)

een trapezium met 2 even lange opstaande zijden.

c)

een figuur die niet bestaat.

d)

een parallellogram met rechte hoeken.

4.

Een rechthoekig trapezium is

a)

een trapezium met 2 rechte hoeken.

b)

een trapezium met 2 even lange opstaande zijden.

c)

een figuur die niet bestaat

d)

een rechthoek.

5.

Een parallellogram is

a)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

een vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

een vlakke figuur met minstens één paar evenwijdige zijden.

d)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige vlakken.

6.

In een parallellogram

a)

zijn de diagonalen even lang.

b)

delen de diagonalen elkaar middendoor.

c)

zijn de vier hoeken even groot.

d)

zijn de vier zijden even lang.

7.

In een parallellogram

a)

zijn de aanliggende hoeken even groot.

b)

zijn de overstaande hoeken even groot.

c)

zijn de vier hoeken even groot.

d)

is de som van de hoeken 180°

8.

Een rechthoek is

a)

een vlakke figuur met vier even lange zijden.

b)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

c)

een vlakke figuur waarvan alle hoeken even groot zijn, namelijk 60°

d)

een vlakke figuur die wordt gevormd door drie hoeken en drie zijden.

9.

In een rechthoek

a)

zijn de vier zijden even lang.

b)

zijn de diagonalen even lang en staan ze loodrecht op elkaar.

c)

zijn de diagonalen even lang en delen ze elkaar middendoor.

d)

delen de diagonalen elkaar middendoor en staan loodrecht op elkaar.

10.

Een ruit is

a)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een vierhoek met vier even grote hoeken.

11.

In een ruit

a)

zijn de hoeken even groot.

b)

zijn de diagonalen even lang en delen elkaar middendoor.

c)

zijn de diagonalen even lang en staan ze loodrecht op elkaar.

d)

staan de diagonalen loodrecht op elkaar en delen ze elkaar middendoor.

12.

Een vierkant is

a)

een vierhoek met vier rechte hoeken en vier even lange zijden.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een driehoek met drie even lange zijden en even grote hoeken.

13.

Welke vierhoek herken je in de afbeelding? (zwarte, beige en witte vierhoeken)

a)

Vierkanten

b)

Parallellogrammen

c)

Ruiten

d)

Rechthoeken

14.

Welke vierhoeken herken je in de vlag van Brazilië?

a)

Ruit

b)

Rechthoek

c)

Trapezium

d)

Parallellogram

15.

Wat zijn de overstaande zijden in vierhoek ABCD?

a)

[AC] en [BD]

b)

[AB] en [CD], [BC] en [AD]

c)

[AB] en [AD], [BC] en [CD]

d)

[AC] en [CD], [BD] en [BC]

16.

Elke vierkant is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Elke ruit is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Elk vierkant is ook een trapezium.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Er bestaan rechthoekige parallellogrammen.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Elke ruit is ook een

a)

vierkant

b)

rechthoek

c)

parallellogram

d)

cirkel