wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nask VWO 1 Thema 4 Lucht B4

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Het dauwpunt van warme lucht...

a)

is hoger dan het dauwpunt van koude lucht

b)

Is even hoog als het dauwpunt van koude lucht

c)

dat kun je niet weten

2.

Als het 's nachts vriest, en in de ochtend waait warmere lucht over de weilanden, dan kleurt het gras soms wit. Dit verschijnsel heet

a)

Rijpen

b)

IJzel

c)

Sublimatie

d)

Kristallisatie

3.

Aan het eind van een warme dag bevat de buitenlucht 19 g water per m3. De temperatuur is dan 30 graden Celsius. In de loop van de nacht daalt de temperatuur tot 10 graden Celsius. Hoeveel gram waterdamp condenseert er uit elke kubieke meter lucht?

a)

19 gram

b)

9 gram

c)

10 gram

d)

29 gram

4.

Aan het eind van een warme dag bevat de buitenlucht 19 g water per m3. De temperatuur is dan 30 graden Celsius. Hoeveel waterdamp kan de lucht bij 30 graden Celsius maximaal bevatten?

a)

19 gram

b)

10 gram

c)

30 gram

d)

9 gram

5.

Aan het eind van een warme dag bevat de buitenlucht 19 g water per m3. De temperatuur is dan 30 graden Celsius. In de loop van de nacht daalt de temperatuur tot 10 graden Celsius. Bij welke temperatuur zal de waterdamp in de lucht gaan condenseren?

a)

23 graden Celsius

b)

30 graden Celsius

c)

10 graden Celsius

d)

19 graden Celsius

6.

Een luchtbel met warme lucht van 26 graden Celsius gaat omhoog. Het dauwpunt van deze lucht is 8 graden Celsius. Bij elke 100 meter stijging daalt de temperatuur van de luchtbel met 0,5 graden Celsius. Als de waterdamp begint te condenseren, ontstaat het begin van de stapelwolk. Op welke hoogte bevindt zich de onderkant van de stapwolk?

a)

1600 m

b)

2600 m

c)

3600 m

d)

4600 m

7.

Op een warme zomerdag is het 29 0C. De maximale hoeveelheid waterdamp bij 29 0C is 30 g/m3. De lucht bevat 18 g waterdamp per m3. Bereken de luchtvochtigheid in %.

a)

30%

b)

40%

c)

50%

d)

60%

8.

Een stroming die wordt veroorzaakt door een plaatselijk temperatuurverschil noemen we ...

a)

Condensatiestroming.

b)

Convectiestroming

c)

Overstroming.

d)

Connectiestroming.

9.

Als het overdag warm weer is, verdampt er veel water. 's Nachts koelt de lucht weer af. De volgende ochtend zie op het gras allemaal dauw zitten. Welke faseovergang heeft hier plaatsgevonden?

a)

Verdampen

b)

Condenseren

c)

Rijpen

d)

Stollen

10.

De waterdamp in lucht begint te condenseren als de temperatuur stijgt tot boven het dauwpunt.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Hoe groter de hoeveelheid waterdamp per m3 lucht, des te hoger het dauwpunt.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Lucht van 30 0C kan veel minder waterdamp bevatten dan lucht van 0 0C (uitgedrukt in g/m3).

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Hoe sterker de lucht 's nachts afkoelt, des te groter is de kans op dauw.

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Lees uit de grafiek af bij welke temperatuur 22 g/m3 waterdamp in de lucht gaat condenseren.

a)

18

b)

20

c)

22

d)

25

15.

Door welke fase-overgang ontstaan er stapelwolken?

a)

Verdampen

b)

Condenseren

c)

Smelten

d)

Rijpen