wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toegangsticket zin in zinnen

Total questions: 59

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.
Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?
a)
Zin vragend maken, pv komt  vooraan.
b)
Zin in een andere tijd zetten,pv verandert mee.
c)
Zin in enkelvoud of meervoud zetten, pv verandert mee.
d)
alle opties
2.

Wat is de pv: Wij zijn op tijd naar huis gegaan.

a)

naar huis

b)

wij

c)

gegaan

d)

zijn

3.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

4.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

5.

Wanneer spreekt men van een WWG?

a)

Wanneer iemand iets doet.

b)

Wanneer iemand iets is.

6.

Wanneer spreekt men van een NWG?

a)

Wanneer iemand iets doet.

b)

Wanneer iemand iets is.

7.

We hebben onze tanden gepoetst.

a)

WWG

b)

NWG

8.

De leerkracht blijft ons maar oefeningen geven!

a)

WWG

b)

NWG

9.

Ik zou dat niet meer hebben opgegeten!

a)

WWG

b)

NWG

10.

In augustus word ik eindelijk 16 jaar!

a)

WWG

b)

NWG

11.

Ik zal nog hard moeten studeren!

a)

WWG

b)

NWG

12.

De meeste kinderen lusten graag snoep en chips.

a)

WWG

b)

NWG

13.

Stamina blijft de leukste school!

a)

WWG

b)

NWG

14.

Deze winter was best warm.

a)

WWG

b)

NWG

15.

Hij zal het zolderraam openzetten.

a)

wwg = pv

b)

wwg = pv + vd

c)

wwg = pv + adpv

d)

wwg = pv + inf

16.

Door het open raam komt de muziek van het feest schuin aan de overkant binnen.

a)

wwg = pv

b)

wwg = pv + wdn vn

c)

wwg = pv + adpv

d)

wwg = pv + inf + inf

17.

Hij ergert zich aan het geluid.

a)

wwg = pv

b)

wwg = pv + adpv

c)

wwg = pv + vd

d)

wwg = pv + wdn vn

18.

Je hebt ons kind wakker gemaakt!

a)

wwg = pv

b)

wwg = pv + adpv

c)

wwg = pv + vd

d)

wwg = pv + inf

19.

Het gehuil wordt alleen maar erger.

a)

wwg = wordt erger

b)

nwg = wordt erger

c)

nwg = wordt

20.

Hij zet de warme kraan aan.

a)

wwg = hij zet

b)

wwg = zet

c)

wwg = zet aan

d)

o = de warme kraan

21.

De boiler is nog steeds niet gemaakt.

a)

wwg = is gemaakt

b)

nwg = is gemaakt

c)

wwg = is niet gemaakt

d)

nwg = is

22.

Het water blijft koud.

a)

wwg

b)

nwg

23.
Hoe vind je het onderwerp van een zin?
a)
Door 'de, het of een' voor een woord te zetten.
b)
Door te vragen waar de zin over gaat.
c)
Door te vragen wie+ de p.v.
d)
Het is het eerste woord van een zin
24.

Welke uitspraak over het lijdend voorwerp is waar?

a)

Het lijdend voorwerp begint altijd met een voorzetsel.

b)

Het lijdend voorwerp van een zin kun je vinden met de vraag ‘Wat (of Wie) + werkwoordelijk gezegde?’

c)

Het zinsdeel lijdend voorwerp is de persoon die iets ‘overkomt’ of het voorwerp dat iets ‘ondergaat’.

25.

welke werkwoorden kunnen géén lijdend voorwerp bij zich hebben?

a)

helpen

b)

roepen

c)

timmeren

d)

uitleggen

e)

voetballen

26.

Welke werkwoorden kunnen géén lijdend voorwerp bij zich hebben? (Let op: er zijn meerdere antwoorden mogelijk!)

a)

bakken

b)

kiezen

c)

logeren

d)

sjoelen

e)

tegenhouden

27.
Met welke vraag vind je het meewerkend voorwerp?
a)
Bij wie ?
b)
Aan wie?
c)
Naast wie
d)
Onder wie?
28.

De vraag die je stelt om het meewerkend voorwerp te vinden:

a)

Wie of wat + onderwerp + gezegde?

b)

Wie of wat + alle andere zinsdelen?

c)

Aan/ voor + wie/ wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

d)

Waarom + werkwoord + onderwerp + dit?

29.
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
30.
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
31.
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
32.
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
33.
Benoem het gekleurde gedeelte: De medewerker van de webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
werkwoordelijk gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
34.
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
werkwoordelijk gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
35.
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
36.
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
37.
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
38.

Welk werkwoord en voorzetsel vormen geen vaste combinatie?

a)

spelen in

b)

verlangen naar

c)

zich vergissen in

d)

zich ergeren aan

39.

Zinsdelen die je gemakkelijk kunt weglaten (ook, wel, niet, toch) zijn:

a)

voorzetsel voorwerpen

b)

meewerkend voorwerpen

c)

lijdend voorwerpen

d)

bijwoordelijke bepalingen

40.

Welke uitspraak over het voorzetselvoorwerp (vzv) is niet waar?

a)

Een vzv kun je weglaten.

b)

Een vzv begint altijd met een voorzetsel.

c)

Een vzv kan zowel bij een WWG als een NWG voorkomen.

d)

Bij een vzv is het voorzetsel figuurlijk gebruikt.

41.
Hij vertrouwt volledig op zijn rekenmachine.
Wat is het voorzetselvoorwerp in deze zin?
a)
Hij
b)
vertrouwt
c)
op zijn rekenmachine
d)
volledig
42.

Wat is het voorzetselvoorwerp in onderstaande zin?


Op de open dag genoten Wim en Rika van een mooie voorstelling.

a)

Op de open dag

b)

van een mooie voorstelling

c)

Er zit geen vzv in

43.
De docent gaf hem het proefwerk terug.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
44.
Bij deze verschrikkelijke hitte ga ik dat werk niet doen.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
45.
Wij zagen hem al in de verte.
a)
lijdende voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
46.
Zij is dol op haar hondje.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
47.
Hij gaf het haar.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
48.
Hij gaf het haar.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
49.
Ze hebben iedereen een gratis drankje aangeboden.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
50.
Tijdens het toernooi zal de sponsor de drankjes betalen.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
51.
Ze brachten hem direct naar het ziekenhuis.
a)
lijdend voorwerp
b)
meewerkend voorwerp
c)
voorzetselvoorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling
52.

Een voorwerp of een object is noodzakelijk voor een goed begrip van de zin. Een bepaling bevat extra informatie, die kan je zonder groot betekenisverlies weglaten.


Is het onderstreepte zinsdeel een voorwerp of een bepaling?

Ik kocht in de bakkerij een brood.

a)

voorwerp

b)

bepaling

53.

Grootvader zat in de schommelstoel.

a)

voorwerp

b)

bepaling

54.

Caroline woont in Sint-Michiels.

a)

voorwerp

b)

bepaling

55.

Het belandde in de vuilnisbak.

a)

voorwerp

b)

bepaling

56.

Een ander woord voor voorwerp is object. Zo heb je een plaatsobject, richtingsobject, maatobject.

Welk object wordt gebruikt in de volgende zinnen?


Ik ga naar Spanje.

a)

plaatsobject

b)

richtingsobject

c)

maatobject

d)

(bijwoordelijke) bepaling

57.

Ik haal de kip uit de oven.

a)

plaatsobject

b)

richtingsobject

c)

maatobject

d)

bepaling

58.

Na de lessen rep ik me naar de muziekschool.

a)

plaatsobject

b)

richtingsobject

c)

maatobject

d)

lijdend voorwerp

e)

meewerkend voorwerp

59.

De zetel kost 300 euro.

a)

plaatsobject

b)

richtingsobject

c)

maatobject

d)

lijdend voorwerp

e)

meewerkend voorwerp