Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 toekomst van NL 3 havo par. 1 t/m 4

Total questions: 26

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welke oorzaken verklaren de afname van het aantal kinderen per vrouw in Nederland? (par. 1)

a)

Invoering van de pil

b)

Toename van de levensverwachting

c)

Minder mensen zijn gelovig, dus minder invloed van de kerk

d)

Afname van de Nederlandse bevolking

2.

Welke bevolkingsdiagram laat ontgroening zien? (par. 2 en BB 113)

a)
b)
c)
3.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij fase 1? (BB 109, 111, 113)

a)
b)
c)
4.

Bekijk het demografisch transitiemodel. In fase 1 t/m 4 is er sprake van ... (BB 109, BB 111)

a)

sterfteoverschot

b)

geboorteoverschot

c)

vertrekoverschot

d)

vestigingsoverschot

5.

Welke gegevens heb je nodig om de groende druk te kunnen berekenen? (BB115)

a)

het aantal jongeren (0-19 jaar)

b)

het aantal werkenden (20-65 jaar)

c)

het aantal ouderen (65+ jaar)

d)

het aantal niet werkenden

6.

Tussen 2025 en 2040 zal er een sterfteoverschot komen. Dit komt omdat de babyboom-generatie uitsterft. (Par. 1)

a)

juist

b)

onjuist

7.

Welke oorzaken zijn er voor de vergrijzing in Nederland? (par. 1)

a)

Daling van het aantal kinderen. Minder kinderen betekent meer ouderen (procentueel gezien).

b)

Vanaf 2010 zijn de eerste babyboomers met pensioen gegaan.

c)

Toegenomen levensverwachting.

d)

Stijging vruchtbaarheidscijfer.

8.

De demografische krimp verloopt in heel Nederland gelijk (par. 2)

a)

juist

b)

onjuist

9.

Alleen kindvriendelijke maatregelen zorgt ervoor dat de vergrijzing afneemt (par. 2)

a)

juist

b)

onjuist

10.

Door urbanisatie van jonge gezinnen is er demografische ...... op het platteland (par. 2)

a)

krimp

b)

groei

11.

Welke probleem op de arbeidsmarkt ontstaat er door de vergrijzing? (par. 2)

a)

de werkloosheid neemt toe.

b)

er zijn meer ouderen en dat zorgt voor meer werkgelegenheid in de ouderenzorg.

c)

er ontstaan veel vacatures, omdat er veel ouderen stoppen met werken.

12.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij Nederland in 1950? (par. 2)

a)
b)
c)
d)
13.

Wat zijn gevolgen van de toegenomen mobiliteit in Nederland? (par. 3)

a)

Meer mensen gingen van de stad naar het platteland om daar te wonen (suburbanisatie)

b)

Natuurgebieden raken versnipperd

c)

Milieuvervuiling is toegenomen

d)

Door meer welvaart, konden meer mensen een auto kopen

14.

Welke oorzaken zijn er voor de toename van de mobiliteit in Nederland? (par. 3)

a)

Toegenomen welvaart

b)

Natuurgebieden raken versnipperd

c)

Er is meer milieuvervuiling

d)

Na 1960 gingen meer mensen van de stad naar het platteland om daar te wonen (suburbanisatie)

15.

Welke maatregel zorgt voor vermindering van de uitstoot van CO2 in Nederland? (par. 3)

a)

meer reizen met de trein (OV)

b)

invoering van de roetfilter

c)

invoering van de katalysator

d)

verlaging van de maximumsnelheid op snelwegen

16.

De compacte stad is ........... (par. 4)

a)

Een kleine stad die wordt gebouwd

b)

Uitbreiding van woonwijken aan de randen van de stad met met woningen en voorzieningen

c)

Het slopen van woonwijken aan de randen van de stad met als doel de stad kleiner te maken

d)

Uitbreiding van woonwijken aan de randen van dorpen, zodat deze kleine (compacte) steden worden

17.

Welke maatregel hoort bij bovenstaande afbeelding? (par. 4)

a)

Efficiënt gebruik maken van bestaande wegen

b)

Aanleg van nieuwe wegen

c)

Gedrag van de werkgever veranderen

d)

Openbaar vervoer aantrekkelijker maken

18.

Wat wordt bedoeld met filedruk? (par 4)

a)

de lengte van de file x tijdsduur

b)

het aantal auto's in de file x het aantal rijstroken

c)

de lengte van de file

d)

tijdsduur van de file x het aantal auto's in de file

19.

Nederlanders met een migratieachtergrond wonen vaak in gebieden met een hoge woningdichtheid omdat dit vaak de nieuwe woonwijken zijn. (par 3)

a)

juist

b)

onjuist

20.

Welke definitie hoort bij een agglomeratie? (par. 3)

a)

ander woord voor stadsgewest

b)

een centrale stad met de daaraan vastgegroeide dorpen en steden

c)

stadsgewesten die (bijna) aan elkaar zijn gegroeid

21.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij een land met een lage welvaart? (par. 2, BB113)

a)
b)
c)
22.

Een bevolkingspiramide in de vorm van een urn/ui is meestal een land die een hoge welvaart kent, zoals bijvoorbeeld Duitsland (par. 2, B113)

a)

juist

b)

onjuist

23.

Welke uitspraken zijn juist over mobiliteit? (par. 3 figuur 14 en 15)

a)

De meeste kilometers leggen we af in de vrije tijd

b)

De meeste kilometers leggen we af voor woon-werk verkeer

c)

De meeste kilometers leggen we af met de auto

d)

De meeste kilometers leggen we af met het OV

24.

Welke uitspraak is juist over de spitsstrook? (par 4)

a)

Bedoeld om automobilisten te helpen de snelste route te vinden

b)

Vaak een tijdelijke oplossing

c)

Bedoeld om mensen dichterbij hun werk te laten wonen

d)

Bedoeld om voor een extra rijbaan te zorgen in de spits

25.

De Ecologische Hoofdstructuur zorgt voor versnippering van natuurgebieden (par 3).

a)

juist

b)

onjuist

26.

Vergrijzing wordt versterkt doordat mensen steeds langer leven. (par 1)

a)

juist

b)

onjuist