wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

9. Thema Verkoop en kassa hst. 5 Kassa-afhandeling

Total questions: 34

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Inkt met kleuromslag

c)

lriserende streep

d)

Veiligheidsdraad

2.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Inkt met kleuromslag

c)

lriserende streep

d)

Veiligheidsdraad

3.

Met welke letter wordt het echtheidskenmerk voelbare inkt aangegeven?

a)

Letter A

b)

Letter B

c)

Letter C

d)

Letter D

4.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Inkt met kleuromslag

c)

Voelbare inkt

d)

Watermerk

5.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Inkt met kleuromslag

c)

Veiligheidsdraad

d)

Voelbare inkt

6.

Met welke letter wordt het echtheidskenmerk veiligheidsdraad aangegeven?

a)

Letter A

b)

Letter B

c)

Letter C

d)

Letter D

7.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Iriserende streep

c)

Smaragdgroene lichtbaan

d)

Voelbare inkt

e)

Watermerk

8.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Iriserende streep

c)

Smaragdgroene lichtbaan

d)

Veiligheidsdraad

e)

Voelbare inkt

9.

Met welke letter wordt het echtheidskenmerk veiligheidsdraad aangegeven?

a)

Letter A

b)

Letter B

c)

Letter C

d)

Letter D

e)

Letter E

10.

Met welke letter wordt het echtheidskenmerk watermerk aangegeven?

a)

Letter A

b)

Letter B

c)

Letter C

d)

Letter D

e)

Letter E

11.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Iriserende streep

c)

Smaragdgroene lichtbaan

d)

Veiligheidsdraad

e)

Voelbare inkt

12.

Welk echtheidskenmerk is in deze afbeelding aangegeven met de letter X?

a)

Hologram

b)

Iriserende streep

c)

Smaragdgroene lichtbaan

d)

Veiligheidsdraad

e)

Voelbare inkt

13.

Wat is een voorbeeld van een voorbereidende werkzaamheid bij het werken met de kassa?

a)

Het groeten van de klant bij de kassa

b)

Het papiergeld afromen

c)

Het tellen van het wisselgeld in de kassalade

d)

Muntgeld gekopt in de kassalade leggen

14.

Wat is een voorbeeld van een voorbereidende werkzaamheid bij het werken met de kassa?

a)

Het groeten van de klant bij de kassa

b)

Het muntgeld gekopt in de kassalade leggen

c)

Het papiergeld afromen

d)

Hulpmiddelen bij de kassa aanvullen

15.

Wat is in de meeste winkels een onderdeel van de standaard kassaprocedure?

a)

Afromen op het moment dat er € 1.000 in de kassa zit

b)

Briefgeld met een hogere waarde ligt verder van de klant weg

c)

In de middag de inhoud van de kassalade tellen

d)

Muntgeld altijd gekopt bewaren in de kassa

16.

Wat is in de meeste winkels een onderdeel van de standaard kassaprocedure?

a)

Afromen op het moment dat er € 1.000 in de kassa zit

b)

Briefgeld altijd gekopt bewaren in de kassa

c)

Briefgeld met een lagere waarde ligt verder van de klant weg

d)

Muntgeld altijd gekopt bewaren in de kassa

17.

In een delicatessenzaak worden chartale betalingen afgerond. Een klant komt bij de kassa met de volgende producten:


- Belgische gerijpte kaas: € 14,99

- Geroosterde pinda’s: € 4,39

- Pata negra: € 12,89


Hoeveel moet de klant betalen?

a)

€ 32,00

b)

€ 32,25

c)

€ 32,27

d)

€ 32,30

18.

In een kledingzaak worden chartale betalingen afgerond. Een klant komt bij de kassa met de volgende producten:


- Sportschoenen: € 144,95

- Sportsokken: € 4,99

- Voetbal: € 14,89


Hoeveel moet de klant betalen?

a)

€ 164,80

b)

€ 164,83

c)

€ 164,85

d)

€ 165,00

19.

In een supermarkt worden chartale betalingen afgerond. Een klant komt bij de kassa met de volgende producten:


- Brood: € 1,95

- Melk: € 0,99

- Cola: € 9,99


De klant betaalt met een pinpas. Hoeveel moet de klant betalen?

a)

€ 12,90

b)

€ 12,93

c)

€ 12,95

d)

€ 13,00

20.

Een klant moet € 8,05 betalen. De klant betaalt met een briefje van € 20. Hoeveel kleingeld vraag je bij?

a)

Niets

b)

€ 0,05

c)

€ 0,45

d)

€ 0,95

21.

Een klant moet € 31,50 afrekenen. De klant betaalt contant met € 50. Hoeveel kleingeld vraag je bij?

a)

€ 0,50

b)

€ 1,50

c)

€ 3,50

d)

€ 8,50

22.

Een klant moet € 16,15 betalen. De klant betaalt contant met € 20. Hoeveel kleingeld vraag je bij?

a)

€ 0,15

b)

€ 0,85

c)

€ 1,15

d)

€ 3,85

23.

De nettoprijs voor een pakket met kazen bedraagt € 23. Hoeveel bedraagt de brutoprijs?

a)

€ 20,93

b)

€ 21,10

c)

€ 25,07

d)

€ 27,83

24.

De nettoprijs voor een verjaardagspakket met verzorgingsproducten bedraagt € 42. Hoeveel bedraagt de brutoprijs?

a)

€ 33,18

b)

€ 38,22

c)

€ 45,78

d)

€ 50,82

25.

De brutoprijs voor een doos bonbons bedraagt € 19. Hoeveel bedraagt de nettoprijs?

a)

€ 15,70

b)

€ 17,43

c)

€ 20,71

d)

€ 22,99

26.

De brutoprijs voor een set autobanden bedraagt € 440. Hoeveel bedraagt de nettoprijs?

a)

€ 347,60

b)

€ 363,64

c)

€ 400,40

d)

€ 532,40

27.

De btw op een kamerplant bedraagt € 1,23. Hoeveel bedraagt de nettoprijs?

a)

€ 5,86

b)

€ 7,09

c)

€ 13,67

d)

€ 14,90

28.

De btw op een winterjas bedraagt € 52. Hoeveel bedraagt de brutoprijs?

a)

€ 56,68

b)

€ 62,92

c)

€ 247,62

d)

€ 299,62

29.

Wanneer druk je een afslagbon af?

a)

Bij een verkeerde transactie die niet meer geannuleerd kan

b)

Bij het printen van alle gegevens die door de kassa zijn geregistreerd

c)

Bij het teruggeven van geld bij een retour van een klant

d)

Wanneer een verkeerd bedrag aan wisselgeld is teruggegeven

30.

Wanneer druk je een foutbon af?

a)

Bij een verkeerde transactie die niet meer geannuleerd kan

b)

Bij het printen van alle gegevens die door de kassa zijn geregistreerd

c)

Bij het teruggeven van geld bij een retour van een klant

d)

Wanneer een verkeerd bedrag aan wisselgeld is teruggegeven

31.

Wanneer druk je een nulbon af?

a)

Bij het openen van de kassalade zonder dat er een transactie heeft plaatsgevonden

b)

Bij het printen van alle gegevens die door de kassa zijn geregistreerd

c)

Bij het teruggeven van geld bij een retour van een klant

d)

Wanneer een verkeerd bedrag aan wisselgeld is teruggegeven

32.

Een klant koopt iets voor € 8,99 en betaalt met een briefje van € 10. De medewerker geeft € 2 terug. Er ontstaat

a)

een kasoverschot

b)

een kastekort

c)

geen kasverschil

33.

Een klant koopt iets voor € 5,99 en betaalt € 11. De medewerker geeft € 5 terug. Er ontstaat

a)

een kasoverschot

b)

een kastekort

c)

geen kasverschil

34.

In een winkel worden chartale betalingen afgerond. Een klant koopt iets voor € 17,95 en betaalt met een briefje van € 20. De medewerker geeft € 2 terug. Er ontstaat

a)

een kasoverschot

b)

een kastekort

c)

geen kasverschil