wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen Thema 3 Aardrijkskunde

Total questions: 43

Worksheet time: 1hrs 26mins

Name
Class
Date
1.

Hoe ontstaan de seizoenen?

a)

Er zijn seizoenen omdat de zon rondjes draait rond de aarde (1 rondje = 1 jaar) én scheef staat ten opzichte van de zon. Als de aarde precies recht zou staan, zou er weinig verschil zijn tijdens het rondje rond de zon.

b)

Er zijn seizoenen omdat de aarde rondjes draait rond de zon (1 rondje = 1 jaar) én scheef staat ten opzichte van de zon. Als de aarde precies recht zou staan, zou er weinig verschil zijn tijdens het rondje rond de zon.

c)

Er zijn seizoenen omdat de aarde rondjes draait rond de zon (1 rondje = 1 jaar) én precies recht staat ten opzichte van de zon. Als de aarde scheef zou staan, zou er weinig verschil zijn tijdens het rondje rond de zon.

2.

Wat is geen natuurramp?

a)

Een neergestort vliegtuig.

b)

Een vulkaanuitbarsting.

c)

Een aardbeving.

d)

Een tornado.

3.

Uit welke lagen bestaat de aarde?

a)

Kern, Aardschil, Bergen

b)

Kern, Aardmantel, Aardkorst

c)

Kern, Lavastenen, Magma

d)

Kern, Aardkorst, water

4.

De aardkorst bestaat uit?

a)

Continenten

b)

Werelddelen

c)

Aardplaten

d)

Landschappen

5.

Kijk naar de afbeelding. Als dit gebeurt met de aardplaten dan is er de grootste kans op.....

a)

Een aardbeving

b)

Een gebergte

c)

Een tsunami

d)

Een vulkaanuitbarsting

6.

Als twee aardplaten langs elkaar schuiven is er een grote kans op een........

a)

aardbeving

b)

vulkaanuitbarsting

c)

ontstaan van een gebergte

7.

Bergen ontstaan, omdat aardplaten tegen elkaar aan duwen.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Het schuren van de wind, water en ijs langs bijvoorbeeld stenen noem je EROSIE.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Erosie zorgt er voor dat bijvoorbeeld grote stenen van een berg mee naar beneden worden gevoerd door water en ijs.

Kijk ook naar het plaatje.

Dit noem je met een moeilijk woord.....

a)

Acceptatie

b)

Sedimentatie

c)

Irritatie

d)

Intimidatie

10.

Hoeveel procent van de aarde bestaat uitwater?

a)

57 procent

b)

65 procent

c)

70 procent

d)

78 procent

11.

Welk woord is er weggelaten?


De verschillende reliëfvormen in een tabel

................... lager dan 200 meter

Heuvelland tussen de 200 en 500 meter

Middelgebergte tussen de 500 en 1500 meter

Hooggebergte hoger dan 1500 meter

a)

Laagland

b)

NAP

c)

Laaggebergte

12.

Hoelang doet de aarde er over om een rondje om zijn eigen as te draaien?

a)

12 uur

b)

Een week

c)

24 uur

d)

Een jaar

13.

De zon draait om de aarde.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Wat is de juiste volgorde?

a)

Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus.

b)

Neptunus, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Mercurius

c)

Mercurius, Venus,Mars, Jupiter, Aarde, Saturnus, Uranus en Neptunus.

d)

Venus, Mercurius, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Neptunus en Uranus

15.

De zon is de grootste planeet.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Wetenschappers hebben onderzoek gedaan naar de leeftijd van de aarde. Hoe oud denk je dat de aarde is?

a)

Ongeveer 4,6 miljoen jaar oud.

b)

Ongeveer 6,4 miljard jaar oud.

c)

Ongeveer 6,4 miljoen jaar oud.

d)

Ongeveer 4,6 miljard jaar oud.

17.

Wat is de eerste fase in de waterkringloop?

a)

Verdamping

b)

Neerslag

c)

Wolken

d)

Wind

18.

Wat is de oorzaak van een Tsunami

a)

Vulkaanuitbarsting

b)

Tornado

c)

Orkaan en springtij

d)

Aardbeving

19.

De kracht van een aardbeving wordt uitgedrukt in een meetschaal, namelijk ..........................

a)

de schaal van Richter

b)

de schaal van trilling

c)

de schaal van beaufort

d)

de schaal van Richting

20.

In Nederland komen geen aardbevingen voor.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Wat is niet waar?

a)

De grond bij een vulkaan is erg vruchtbaar.

b)

Er wonen veel mensen in de buurt van een vulkaan

c)

De grond bij een vulkaan is erg onvruchtbaar.

d)

Een vulkaan kan ook "slapen".

22.

Nederland heeft vooral.....

a)

Gletsjer rivieren

b)

Regen rivieren

23.

Een gemengde rivier is een mengsel van zoet en zout water.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Regenrivieren zijn er alleen als het regent.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Hoog in de bergen valt vaak sneeuw. Door deze neerslag kunnen gletsjers worden gevormd. Wanneer deze ijsmassa’s smelten kan er door het gesmolten water een rivier ontstaan. Rivieren die op deze manier ontstaan noemen we .......................................

a)

Regenrivieren

b)

Gletsjerrivieren

c)

IJsrivieren

d)

Gemengde rivieren

26.

Hoe ontstaat een Tsunami?

a)

Door heel veel wind

b)

Door een aardbeving op het land

c)

Door een aardbeving onder water

27.

Hoeveel procent van het waarde op aarde is zoet?

a)

2,5%

b)

12,5%

c)

17,5%

d)

20,5%

28.
De korte waterkringloop is...
a)
De kringloop van de zee naar de bomen
b)
De kringloop van de zee naar bron van de rivier
c)
De kringloop van de rivier naar de bomen
d)
De kringloop boven de zee
29.

Welk seizoen past bij deze foto?

a)

de lente

b)

de zomer

c)

de winter

d)

de herfst

30.

Welk seizoen past bij deze foto?

a)

de lente

b)

de zomer

c)

de winter

d)

de herfst

31.

Welk seizoen past bij deze foto?

a)

de lente

b)

de zomer

c)

de winter

d)

de herfst

32.

Het is overal even warm op de aarde

a)

waar

b)

niet waar

33.

Waardoor kan de temperatuur niet veranderen?

a)

Tijd (overdag of nacht)

b)

Seizoenen (zomer of winter)

c)

Wind (koude of warme wind)

d)

Waterstand (hoog of laag water)

34.

Waar is het het warmst?

a)

60 graden NB

b)

30 graden NB

c)

0 graden

d)

30 graden ZB

35.

Meneer Schuijer heeft zonnepanelen op zijn dak in welke maand heeft hij het meeste opbrengst?

a)

Juli

b)

Oktober

c)

Januari

d)

Maart

36.

Hoe harder het waait hoe ...... het is

a)

warmer

b)

kouder

c)

gezelliger

37.

Harde wind is ook fijn want het kan de regenwolken wegblazen

a)

waar

b)

niet waar

38.

De zonnestralen verwarmen zowel land als water.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Hoeveel exogene processen zijn er ook alweer?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

40.

Welk antwoord past het best bij het begrip Verwering?

a)

Door verwering gaan stenen kapot. Dit kan op 2 manieren gebeuren.

b)

Door verwering worden stenen vervoert naar de rivier.

c)

Door verwering worden stenen vervoert naar het laagste punt van het land.

d)

Door verwering gaan stenen kapot. Dit kan alleen gebeuren door extreme kou

41.

In de Nederlandse duinen is gras om erosie tegen te gaan. Is dit waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

42.

Welk begrip past het best bij deze zin? ''Het naar beneden zakken of vallen van grond''

a)

Sedimentatie

b)

Erosie

c)

Verwering

43.

Verwering is een endogene kracht

a)

Waar

b)

Niet waar