NEW
Font size
WorksheetsSpelling werkwoorden
Total questions: 17
Worksheet time: 9mins
Die minister (worden) de nieuwe minister.
word
wordt
wort
Zij (lachen) altijd als ik haar zie.
lach
lachd
lacht
lachdt
Het is jammer dat zoiets (gebeuren).
gebeurd
gebeurdt
gebeur
gebeurt
(antwoorden) je liever niet op die vraag?
antwoord
antwoordt
antwoort
(melden) je broer zich aan bij het leger?
meldt
meld
melt
De fietser (trappen) naast zijn pedalen en (verliezen) de controle over zijn stuur.
trapte - verloor
trapten - verliesde
trapten - verloor
trapte - verliesde
De leerlingen (snappen) de vraag niet zo goed.
snapte
snaptte
snapten
snaptten
Mijn zus (rusten) nog wat uit voor ze aan die tweede sessie (beginnen).
rustte - beginde
rustte - begon
rustten - beginde
rustten - begon
De instructeurs (begeleiden) de beginnelingen tijdens die rafting vorige week.
begeleidde
begeleide
begeleidden
begeleiden
Zij hadden hun kat (sturen) naar die vergadering.
verstuurt
verstuurd
gestuurt
gestuurd
Die finalisten hadden een prima act (bedenken).
bedenkt
bedonken
bedacht
bedankt
Mijn opa heeft zijn ganse leven in de textielsector (werken)
gewerkt
gewarkt
gewerked
gewerkd
Die voorbijganger had gezien hoe het meisje werd (ontvoeren).
ontviert
ontvierd
ontvoeren
ontvoerd
Die medeleerling kwam uit Wallonië en was naar hier (verhuizen).
verhuizen
verhuist
verhuisd
Wat is de imperatief van het werkwoord in de zin: 'Hij lustte wel een glaasje wijn.'?
lust
lus
lustt
Wat is de imperatief van 'zijn'?
zijt
ben
is
wees
Hoe vorm je de imperatief?
werkwoord - en
de stam
