wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorbereiding TW 3

Total questions: 57

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

medicijnen voor astma helpen om de spiertjes om de luchtpijptakjes aan te spannen

a)

waar

b)

niet waar

2.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

ze een heel groot oppervlakte samen hebben

b)

ze een dikke wand hebben

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

ze makkelijk water kunnen uitwisselen

3.

Welk nummer stelt de huig voor?

a)

1

b)

10

c)

2

d)

8

4.

Welke dieren zijn warmbloedig?

a)

1,3 en 4

b)

2 en 3

c)

1, 3, 6

d)

1, 4 en 9

5.

Wat is de indicator voor CO2

a)

kalkwater

b)

jodium

c)

helder kalkwater

d)

Fehling A en B

6.

Bij inademen gaan de ribben en het middenrif omhoog

a)

waar

b)

niet waard

7.

Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

8.

Waar vind gaswisseling bij eencelligen plaats?

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Celkern

d)

Celwand

9.

Welke organismen hebben tracheeën?

a)

Amfibiën

b)

Vissen

c)

Insecten

d)

Reptielen

e)

Vogels

10.
Welke doorsnede hoort bij een astma-aanval
a)
de linker
b)
de rechter
c)
allebei
d)
geen van twee
11.
Inademen door je neus is beter dan door je mond omdat
a)
de lucht droger wordt
b)
de lucht af kan koelen
c)
de lucht schoner wordt
d)
je je dan niet snel verslikt
12.

In de bronchiën vindt gaswisseling plaats

a)

waar

b)

niet waar

13.
Wat is de juiste volgorde van het inademen?
a)
ribben omhoog en middenrif plat -> borstholte groter -> longen groter -> lucht in de longen
b)
ribben omhoog en middenrif plat-> lucht in de longen -> borstholte groter -> longen groter 
c)
borstholte groter -> longen groter -> lucht in de longen ->ribben omhoog en middenrif plat 
14.
Het hart heeft zuurstof nodig om te kunnen werken
a)
Waar
b)
Niet waar
15.
Zuurstof wordt gebruikt voor de verbranding is cellen.
a)
Waar
b)
Niet waar
16.
Slagaders brengen bloed naar een orgaan.
a)
Waar
b)
Niet waar
17.
In de longblaasjes vind gaswisseling plaats.
a)
Waar
b)
Niet waar
18.
WItte bloedcellen zijn de soldaten van je lichaam. Ze beschermen je tegen ziekteverwekkers.
a)
Waar
b)
Niet waar
19.
Bloedplaatjes zorgen ervoor dat je wondjes dichtgroeien.
a)
Waar
b)
Niet waar
20.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
21.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
22.
Welke kenmerk hoort niet bij slagaders?
a)
Liggen diep in het lichaam
b)
Hoge bloed druk
c)
Dikke elastische wand
d)
Bevat veel kleppen
23.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd?

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

24.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

25.
De cellen met een paarse kern zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
26.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
27.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
28.
De cellen in deze afbeelding zijn voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
29.
Hoe heet het vocht dat zich bevindt tussen de cellen van organen?
a)
Orgaanvocht.
b)
Weefselvloeistof.
c)
Lymfe.
d)
Bloed
30.
Het weefselvloeistof vormt samen met het .... het  interne milieu.
a)
Bloedplasma
b)
Lymfe
c)
Speeksel
d)
Water
31.
In botten wordt .... opgeslagen.
a)
Vet
b)
Bloed
c)
Weefselvloeistof
d)
Glycogeen
32.
In de lever wordt ... opgeslagen.
a)
Glycogeen
b)
Vet
c)
Water
d)
Bloed
33.
Insuline zet ... om in ...
a)
Glycogeen om in glucagon.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glucagon om in glycogeen.
34.
Glucagon zet ... om in ..
a)
Glucose om in glycogeen.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glycogeen om in glucagon.
35.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
36.
Hoe heet nummer 2?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
37.

Wat is de functie van de nierbekken?

a)

filteren van het bloed

b)

filteren van urine

c)

verzamelen van urine

38.

Met welke letter wordt de nierslagader aangegeven??

a)

R

b)

S

c)

T

d)

U

39.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
40.

Welk nummer is de zweetklier

a)

6

b)

3

c)

8

d)

5

41.

Als je het warm krijgt worden de bloedvaten:

a)

wijder, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

b)

Nauwer, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

42.

Wat gebeurt er bij inenten?

a)

je krijgt een stofje binnen en je wordt niet ziek

b)

je krijgt verzwakte ziekteverwekkers toegediend waar je lichaam op reageert

43.

Als je de waterpokken kreeg toen je jong was en er nu niet meer ziek van wordt, ben je

a)

Gevaccineerd

b)

Kunstmatig immuun

c)

Natuurlijk immuun

d)

besmet

44.
Ziekteverwekkers worden gedood door ?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
45.
Drie beweringen over suikerziekte zijn de volgende.  1 Bij suikerziekte bevat het bloed te veel glucose.  2 Bij suikerziekte vormt de lever te veel glycogeen.  3 Bij suikerziekte maakt de alvleesklier te weinig insuline.  Welke beweringen zijn juist?
a)
1 en 2
b)
1 en 3
c)
2 en 3
46.
Renée vergelijkt de lever met een chemische fabriek.
Noteer een soort omzetting die in de lever plaatsvindt.
a)
Afbreken van ureum
b)
Omzetten van glycogeen naar glucose
c)
Afbreken van giftige stoffen
d)
Afbreken van rode bloedcellen
47.
Marieke en Lars voelen zich al een tijdje niet zo lekker. Ze laten allebei een bloedonderzoek doen.   In het bloed van Lars blijken te veel afvalstoffen te zitten.   In het bloed van Marieke zit te veel glucose.  Wie van hen beiden lijdt mogelijk aan een nierziekte?
a)
Marieke, want ze heeft te veel glucose in haar bloed. Dat wordt door de nieren eruit gefilterd.
b)
Lars, want die heeft te veel afvalstoffen in zijn bloed. Dat wordt door de nieren eruit gefilterd.
48.

Wat bepaalt een bloedgroep?

a)

De antigenen op de witte bloedcellen

b)

De antigenen op de rode bloedcellen

c)

De antistoffen die je aanmaakt

d)

Er is maar 1 soort bloed

49.

Wat gebeurt er als je de verkeerde bloedgroep krijgt bij een transfusie?

a)

Niks

b)

Rode bloedcellen klonteren

c)

Rode bloedcellen barsten

d)

Witte bloedcellen klonteren

50.

Waarom kan bloedgroep O aan iedereen doneren?

a)

Dat kan niet

b)

De antistoffen worden uit het donorbloed gehaald en O heeft geen antigenen

c)

De antistoffen in bloedgroep O zijn minder dan in andere bloedgroepen en kunnen daarom worden genegeerd

d)

De antigenen van bloedgroep O kunnen tegen de antigenen van de andere bloedgroepen

51.

Waarom vallen de witte bloedcellen geen eigen lichaamscellen aan?

a)

Ze kennen elkaar aangezien ze in het zelfde lichaam zitten

b)

Dat doen ze wel, maar de cellen in het lichaam kunnen er tegen

c)

De antistoffen die door witte bloedcellen worden aangemaakt laten de antigenen van lichaamscellen weer los

d)

De lichaamscellen hebben herkenbare antigenen die ze lichaamseigen maken

52.

Wat doet een geheugen cel voor het immuunsysteem?

a)

Onthouden hoevaak je ziek bent geweest

b)

Onthouden welke antistoffen het lichaam al kent

c)

Onthouden welke antigenen lichaams eigen zijn

d)

Onthouden wat ziekteverwekkers zijn

53.

Wat gaat er vaak fout als er een donororgaan wordt afgestoten?

a)

Het bloed gaat klonteren

b)

Het orgaan sluit niet goed aan op de bloedvaten

c)

Nieuwe organen gaan nooit lang mee

d)

Het immuunsysteem herkent het als niet lichaams eigen

54.

Wat vindt je niet in het lymfesysteem?

a)

Lymfe

b)

Rode bloedccellen

c)

Witte bloecellen

d)

Voedingsstoffen

55.

Wat is een actieve vaccinatie?

a)

Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word

b)

Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven om te voorkomen dat je ziek word

c)

Een vacinatie (prik) met antistoffen tegen een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent

d)

Een vaccinatie (prik) met van een verzwakte vorm van een ziekte die wordt gegeven als je ziek bent

56.

Waartegen nemen we antibiotica?

a)

Bacteriën

b)

Virussen

c)

Bacteriën en Virussen

d)

Macrofagen

57.

Wat is lymfe?

a)

Bloed zonder rode bloedcellen

b)

Weefselvloeistof dat niet opnieuw wordt opgenomen in de bloedsomloop

c)

Celvloeistof zonder nuttige deeltjes

d)

Overtollig water dat moet worden afgevoerd