wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

7.2

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Gas dat in een ruimte zit opgesloten, oefent ...........uit op de wanden van die ruimte.

a)

klappen

b)

druk

c)

kusjes

2.

Als de temperatuur van het gas stijgt, gaan de moleculen ...............bewegen.

a)

meer

b)

minder

c)

gelijk

3.

Wat gebeurd er met een fietsband als je deze hard opgepompte en in de felle zon laten staan?

a)

niets banden worden warm en zet uit. Waardoor de druk in de band niet te hoog wordt

b)

Niets druk in de band blijft hetzelfde

c)

band knapt omdat de druk in de band te groot wordt.

4.

vormen gasflessen een gevaar voor brandweermensen die een brand moeten blussen, ook als het gas in de flessen niet brandbaar is?

a)

Ja door de brand worden de flessen zo warm dat de druk in de flessen te groot worden.

b)

nee, het is niet brandbaar gas dus niet gevaarlijk voor de brandweer.

5.

Wat is de laatste temperatuur die er bestaat voor het deeltjes model?

a)

0 0C

b)

-273 0C

c)

0 K

d)

-273 K

6.

Wat is volgens het deeltjes model de hoogst temperatuur die er bestaat?

a)

10000 K

b)

10000000000 K

c)

oneindige groot

d)

1000 K

7.

Bij het absolute nulpunt is de druk altijd ..........

a)

oneindig groot

b)

0 bar

c)

100 bar

d)

5 bar

8.

Op grote hoogte, bijvoorbeeld in de bergen, is het kouder dan op zeeniveau. De moleculen van lucht bewegen op grote hoogte langzamer dan op zeeniveau.


Leg uit wat dit betekent voor de luchtdruk op grote hoogte.

a)

De luchtdruk is hoger dan op zeeniveau. Omdat de moleculen langzamer bewegen.

b)

De luchtdruk is even groot op zeeniveau. luchtdruk heeft niets met moleculen te maken.

c)

De luchtdruk is lager dan op zeerniveau. omdat de moleculen langzamer bewegen.

9.

Op grote hoogte wordt de lucht ijler. Dat betekent dat er, per liter, minder moleculen in de lucht zitten.


Leg uit wat dit betekent voor de luchtdruk op grote hoogte.

a)

De luchtdruk wordt hoger

b)

de luchtdruk blijft gelijk

c)

De luchtdruk wordt lager.

10.

Reken de temperaturen in °C om in K


ijzer smelt (1535 °C)

a)

1535 - 273 = 1262 K

b)

1535 + 273 = 1808 K

c)

1535 x 273 = 419055 K

d)

1535 : 273 = 5,6 K

11.

Reken de temperaturen in °C om in K

lood smelt (328 °C)

a)

328 + 273 = 601 K

b)

328 - 273 = 55 K

c)

328 + 723 = 10512 K

d)

328 - 723 = -395 K

12.

Reken de temperaturen in °C om in K

alcohol kookt (78 °C)

a)

78 + 732 = 810 K

b)

78 - 732 = -654 K

c)

78 + 273 = 351 K

d)

78 - 273 = -195 K

13.

Reken de temperaturen in °C om in K

absolute nulpunt (–273 °C)

a)

-273 - 372 = -645K

b)

-273 + 372 = 99K

c)

-273 -273 = -546 K

d)

-273 + 273 = 0K

14.

Reken de temperaturen in K om in °C

goud smelt 1337 K

a)

1337 + 273 = 1610 °C

b)

1337 - 273 = 1064 °C

c)

1337 - 237 = 1100 °C

d)

1337 + 237 = 1610

15.

Reken de temperaturen in K om in °C

water kookt 373 K

a)

373 - 273 = 100 °C

b)

373 + 273 = 646 °C

c)

373 - 732 = -359 °C

d)

373 + 732 = 1105 °C

16.

Reken de temperaturen in K om in °C

alcohol bevriest 159 K

a)

195 - 273 = -78 °C

b)

195 + 273 = 468 °C

c)

195 - 372 = -177 °C

d)

195 + 372 = 567 °C