wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3GRI - herhaling 2de trimester (2020)

Total questions: 80

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

ἀκούειν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

2.

ὁρᾶν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

3.

νομίζειν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

4.

πιστεύειν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

5.

ἐλπίζειν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

6.

φάναι behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

7.

ἀποκρίνεσθαι behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

8.

δείκνυναι behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

9.

ἀγγέλλειν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

10.

ὑπισχνεῖσθαι behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

11.

βούλεσθαι behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

12.

κελεύειν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

13.

πείθειν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

14.

ἐπιθυμεῖν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

15.

ἐρωτᾶν behoort tot de

a)

verba declarandi

b)

verba sentiendi

c)

verba volendi

d)

verba rogandi

16.

Een vragende voorwerpszin kan voorkomen na een

a)

verbum declarandi

b)

verbum sentiendi

c)

verbum volendi

d)

verbum rogandi

17.

Wanneer heeft een PV relatieve tijdswaarde?

a)

in een mededelende voorwerpszin

b)

in een vragende voorwerpszin

c)

in een volitieve voorwerpszin

d)

in een losse genitief

18.

Met welke tijd drukt het Grieks voortijdigheid uit?

a)

praesens

b)

imperfectum

c)

aorist

d)

futurum

19.

Met welke tijd drukt het Grieks gelijktijdigheid uit?

a)

praesens

b)

imperfectum

c)

aorist

d)

futurum

20.

Met welke tijd drukt het Grieks natijdigheid uit?

a)

praesens

b)

imperfectum

c)

aorist

d)

futurum

21.

Met welke tijd(en) drukt het Grieks een herhaling, duur of gewoonte uit?

a)

praesens

b)

imperfectum

c)

aorist

d)

futurum

22.

Met welke tijd(en) benadrukt het Grieks het slagen van de handeling?

a)

praesens

b)

imperfectum

c)

aorist

d)

futurum

23.

Als het regerend werkwoord verleden is, vertaal je een participium praesens met een ...

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

24.

Als het regerend werkwoord heden is, vertaal je een participium praesens met een ...

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

25.

Als het regerend werkwoord heden is, vertaal je een participium aorist met een ...

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

26.

Als het regerend werkwoord verleden is, vertaal je een participium aorist met een ...

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

27.

Het partikel ἅτε bij een participium wijst op een ...

a)

objectieve reden

b)

subjectieve reden

c)

toegeving

d)

doel

28.

Het partikel ὡς bij een participium praesens wijst op een ...

a)

objectieve reden

b)

subjectieve reden

c)

toegeving

d)

doel

29.

Het partikel καίπερ bij een participium wijst op een ...

a)

objectieve reden

b)

subjectieve reden

c)

toegeving

d)

doel

30.

Het partikel ὡς bij een participium aorist wijst op een ...

a)

objectieve reden

b)

subjectieve reden

c)

toegeving

d)

doel

31.

Het partikel ὡς bij een participium futurum wijst op een ...

a)

objectieve reden

b)

subjectieve reden

c)

toegeving

d)

doel

32.

Het grondwoord van ἤγαγον is ...

a)

ἀγειν

b)

ἀγγελλειν

c)

φερειν

d)

φευγειν

33.

Het grondwoord van ἔδραμον is ...

a)

τρεπειν

b)

τρεχειν

c)

τρεφειν

d)

τραπειν

34.

Het grondwoord van ἦλθον is ...

a)

αἱρειν

b)

λεγειν

c)

ἐχειν

d)

ἰεναι

35.

Het grondwoord van εἷλον is ...

a)

αἱρειν

b)

λεγειν

c)

ἐχειν

d)

ἰεναι

36.

Het grondwoord van εἶπον is ...

a)

αἱρειν

b)

λεγειν

c)

ἐχειν

d)

ἰεναι

37.

Het grondwoord van ἔφαγον is ...

a)

φαναι

b)

ἐσθιειν

c)

φευγειν

d)

φαινειν

e)

ἐπανιεναι

38.

"Mama, ga jij maar beneden opruimen. Ik heb liever dat papa mijn verhaaltje voorleest."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Xantippe

b)

Niobe

c)

Electra

d)

Cassandra

39.

"Toen ze het slechte nieuws vernam, kon die dame geen woord uitbrengen. Ze kon de boodschapper alleen maar aanstaren."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Xantippe

b)

Niobe

c)

Electra

d)

Cassandra

40.

"Wanneer zal je er nu eindelijk voor zorgen dat het tuinhuis gerepareerd is? En hoe lang zal die afwas daar nog blijven staan? En waarom ruim je nooit je eigen rommel op?"


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Xantippe

b)

Niobe

c)

Electra

d)

Cassandra

41.

"Sommigen blijven blind voor de realiteit, maar als we niet snel ingrijpen, zal onze wereld onleefbaar worden."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Xantippe

b)

Niobe

c)

Electra

d)

Cassandra

42.

"Geen idee hoe die leerkracht punten geeft. Hij beoordeelt ons willekeurig en we kunnen daar niets tegen doen."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Morpheus

b)

Damokles

c)

Adonis

d)

Procrustes

43.

"Ik had mijn hoofd nog maar neergelegd en ik zal al volop in dromenland."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Morpheus

b)

Damokles

c)

Adonis

d)

Procrustes

44.

"Wauw... Die ziet er goed uit! Met hem wil ik wel eens op date gaan!"


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Morpheus

b)

Damokles

c)

Adonis

d)

Procrustes

45.

"Net promotie gekregen op het werk en thuis gaat alles goed. Maar als ik één fout maak, zou ik alles kunnen verliezen."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Morpheus

b)

Damokles

c)

Adonis

d)

Procrustes

46.

"Tijdens de proefwerken houdt de toezichter ons altijd heel nauwlettend in de gaten."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Argus

b)

Pyrrhus

c)

Pegasus

d)

Tantalus

47.

"We hebben de match gewonnen, maar er raakten zoveel spelers geblesseerd dat we nu een groot probleem hebben voor de volgende match."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Argus

b)

Pyrrhus

c)

Pegasus

d)

Tantalus

48.

"Die dichter werkt volop aan zijn nieuwe dichtbundel."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Argus

b)

Pyrrhus

c)

Pegasus

d)

Tantalus

49.

"Eindelijk is het mijn beurt om die promotie waarop ik al zo lang hoop te krijgen. Oh nee, nu werven ze een buitenstaander aan voor die nieuwe functie!"


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Argus

b)

Pyrrhus

c)

Pegasus

d)

Tantalus

50.

Een pasgetrouwde man tot zijn kersverse echtgenote: "De puree van mijn mama is toch veel lekkerder hoor. Misschien kan je haar eens het recept vragen? Niemand kan beter koken dan zij..."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Nestor

b)

Sisyfus

c)

Midas

d)

Oedipus

51.

"Pfff... Al dat stomme schoolwerk! Elke keer dat we denken dat we ervan af zijn, komen de leerkrachten weer met nieuwe toetsen en taken aandraven!"


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Nestor

b)

Sisyfus

c)

Midas

d)

Oedipus

52.

"Jullie moeten jullie leerkrachten respecteren. Zij beschikken nu eenmaal over de meeste levenservaring en de meeste kennis."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Nestor

b)

Sisyfus

c)

Midas

d)

Oedipus

53.

"Ik ben stom geweest. De leerkracht had me nog zo gezegd dat ik meer moest studeren, maar ja, ik dacht dat het wel zou lukken."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Nestor

b)

Sisyfus

c)

Midas

d)

Oedipus

54.

"Na die zware valpartij dacht iedereen dat de carrière van die wielrenner voorbij was. Maar gisteren heeft hij de wedstrijd gewonnen."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Feniks

b)

Charybdis

c)

Scylla

d)

Danaïden

55.

"Ik probeerde mijn conflict met die leerkracht op te lossen, maar nu keert de hele klas zich tegen mij. Ik heb het dus alleen maar erger gemaakt."


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Feniks

b)

Charybdis

c)

Scylla

d)

Danaïden

56.

"Omdat ik die zak rijst per ongeluk leeggegoten heb op de vloer, moet ik nu als straf alle gevallen rijstkorreltjes tellen. Wat een kindermishandeling!"


Aan welke mythologische figuur doet dit jullie denken?

a)

Feniks

b)

Charybdis

c)

Scylla

d)

Danaïden

57.

"Het meisje schreeuwde in doodsangst toen ze de enorme spin opmerkte."


Welk woord past bij bovenstaande zin?

a)

panisch

b)

homerisch

c)

narcistisch

d)

titanen-

58.

"Na die grap barstte er een onbedaarlijk gelach los."


Welk woord past bij bovenstaande zin?

a)

panisch

b)

homerisch

c)

narcistisch

d)

titanen-

59.

"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is er de mooiste van het hele land?"


Welk woord past bij bovenstaande zin?

a)

panisch

b)

homerisch

c)

narcistisch

d)

titanen-

60.

"De twee ploegen gingen tot het uiterste om de beker te winnen. Het werd een zware strijd."


Welk woord past bij bovenstaande zin?

a)

panisch

b)

homerisch

c)

narcistisch

d)

titanen-

61.

Wie zie je hier afgebeeld?

a)

Argus

b)

Midas

c)

Pegasus

d)

Feniks

62.

Wie zie je hier afgebeeld?

a)

Argus

b)

Midas

c)

Pegasus

d)

Feniks

63.

Wie zie je hier afgebeeld?

a)

Argus

b)

Midas

c)

Pegasus

d)

Feniks

64.

Wie zie je hier afgebeeld?

a)

Argus

b)

Midas

c)

Pegasus

d)

Feniks

65.

Van welk volk hebben de Grieken waarschijnlijk de fabels overgenomen?

a)

de Egyptenaren

b)

de Trojanen

c)

de Assyriërs

d)

de Perzen

66.

Welke auteurs hebben fabels in hun teksten verwerkt?

a)

Hesiodus

b)

Plato

c)

Aeschylus

d)

Archilochus

67.

Waar zou Aesopus gestorven zijn volgens Herodotus?

a)

Samos

b)

Delphi

c)

Athene

d)

Sparta

68.

Duid de correcte vertaling(en) aan van ἐπιβουλευειν.

a)

beraadslagen

b)

aanraden

c)

plannen smeden

d)

willen

69.

Duid de correcte vertaling(en) aan van δεισθαι.

a)

nodig zijn

b)

nodig hebben

c)

vragen

d)

moeten

70.

Duid de correcte vertaling(en) aan van ὀνος.

a)

wijn

b)

huis

c)

ezel

d)

eed

71.

Duid de correcte vertaling(en) aan van ἐσχατος.

a)

laatste

b)

ieder

c)

tegenovergesteld

d)

tegemoet

72.

Duid de correcte vertaling(en) aan van στρατεια.

a)

veldtocht

b)

leger

c)

generaal

d)

soldaat

73.

Duid de correcte vertaling(en) aan van πολεμος.

a)

vijand

b)

oorlog

c)

burger

d)

schip

74.

Duid de correcte vertaling(en) aan van πλειων.

a)

schip

b)

varend

c)

meer

d)

rijk

75.

Duid de correcte vertaling(en) aan van κλαιειν.

a)

roepen

b)

verhinderen

c)

sluiten

d)

wenen

76.

"Ik was heel geletterd en veel mannen waren verliefd op mij. Ik kon zelfs Perikles in mijn netten strikken."


Bij welk personage past deze uitspraak?

a)

Aspasia

b)

Telesilla

c)

Phryne

d)

Lysistrata

77.

"Ik werd aangeklaagd voor heiligschennis maar Hyperides verdedigde me. Alle rechters waren onder de indruk van mijn schoonheid."


Bij welk personage past deze uitspraak?

a)

Aspasia

b)

Telesilla

c)

Phryne

d)

Lysistrata

78.

"Ik was een dichteres van Argos. Onder mijn leiding hebben de vrouwen van mijn stad zich verdedigd tegen de Spartanen."


Bij welk personage past deze uitspraak?

a)

Aspasia

b)

Telesilla

c)

Phryne

d)

Lysistrata

79.

"Door een seksstaking dwong ik de Atheners en de Spartanen om vrede te sluiten."


Bij welk personage past deze uitspraak?

a)

Aspasia

b)

Telesilla

c)

Phryne

d)

Lysistrata

80.

Duid de correcte vertaling(en) aan van ἀρεσκειν.

a)

aanstaan

b)

genoeg zijn

c)

heersen

d)

radeloos zijn