wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

P2 BIOLOGIE 1C3

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend.


Tot welk rijk behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

a)

Schimmels

b)

Dieren

c)

Planten

2.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme kan een cel bladgroenkorrels bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

3.

In de afbeelding zie je organismen of delen van organismen.


Van welk organisme zal een cel geen celwand bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

4.
Wanneer behoren organismen tot één soort?
a)
Als ze samen nakomelingen kunnen krijgen
b)
Als ze samen voort kunnen planten
c)
Als ze meer dan één nakomeling kunnen krijgen
d)
Als ze vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen
5.

Hebben schimmels en bacteriën bladgroenkorrels?

a)

ja

b)

nee

6.

Welk van de volgende groepen heeft geen celkern?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

7.

Een zeester is ..................symmetrisch

a)

niet

b)

tweezijdig

c)

veelzijdig

8.

Wat voor een soort skelet heeft een mossel?

a)

inwendig

b)

uitwendig

9.

Bij welke stam hoort het organisme op de afbeelding?

a)

Wieren

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

10.

Een viooltje behoort bij de ......................

a)

sporenplanten

b)

zaadplanten

11.
Welke vier rijken kennen we?
a)
planten, bacteriën, protisten, dieren
b)
dieren,
schimmels,
planten,
protisten
c)
schimmels, planten, bacteriën,
protisten
d)
planten, bacteriën,
dieren, schimmels
12.
Hiernaast zie je een organisme uit het rijk der schimmels. Hoe planten deze zich voort?
a)
door paddestoelen
b)
door sporen
c)
door zaadjes
d)
door uitlopers
13.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
14.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
15.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
16.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
17.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
18.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

bescherming

b)

stevigheid

c)

beweging

d)

spijsvertering

19.

welk bot zit niet in je arm

a)

kuitbeen

b)

spaakbeen

c)

ellepijp

d)

opperarm been

20.
Welke stof zit vooral in kraakbeen?
a)
kalkzout
b)
lijmstof
c)
zoutzuur
d)
brandstof
21.
Op welke manier maakt je skelet beweging mogelijk?
a)
Doordat de botten langs elkaar schrapen als je sport
b)
Doordat je spieren aan de botten vastzitten 
c)
Doordat je botten veel energie bevatten
d)
Doordat je skelet bestaat uit kraakbeen en kraakbeen is beweeglijk
22.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
23.

De onderdelen van je lichaam zijn:

a)

romp, hoofd en ledematen

b)

romp

c)

hoofd en ledematen

d)

ledematen en romp

24.

hoe heet het bot in je bovenarm?

a)

bovenarmbeen

b)

opperarmbeen

c)

bovenbeen

25.
Wat voor vorm moet je wervelkolom hebben bij een juiste houding?
a)
Rechte-I-vorm
b)
Dubbele-I-vorm
c)
Enkele-S-vorm
d)
Dubbele-S-vorm
26.

Wat voor een type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

27.

Wat voor een type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

28.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is...

a)

het opperarmbeen

b)

het dijbeen

c)

het heiligbeen

29.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen...

a)

niet bewegen ten opzichte van elkaar

b)

een beetje bewegen ten opzichte van elkaar

c)

veel bewegen ten opzichte van elkaar

30.

Welke verbinding zit er tussen je ribben en je borstbeen?

a)

Gewricht

b)

Kraakbeen

c)

Naad

d)

Vergroeid

31.

Welke typen beenverbindingen zie je op de foto?

a)

Vergroeiing

b)

gewricht

c)

naadverbinding

d)

kraakbeenverbinding

32.

Wat is de naam van onderdeel 1?

a)

kraakbeen

b)

gewrichtskapsel

c)

spier

d)

gewrichtssmeer

33.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren die met elkaar samenwerken

b)

Spieren met een tegengestelde werking

c)

Gewrichten die samenwerken

d)

Gewrichten met een tegengestelde werking

34.

Bij de bereiding van het voedingsmiddel van afbeelding 2 worden bacteriën gebruikt.

a)

waar

b)

niet waar

35.

Vijf groepen van gewervelden zijn vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Bij welke groep verandert in de loop van hun leven de manier van ademhalen?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

zoogdieren

d)

reptielen

e)

vogels

36.

Dit dier hoort bij..................

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

zoogdieren

d)

vogels

37.

Welke van de aangegeven delen hebben als functie de botten op hun plaats te houden?

a)

gewrichtskogel

b)

kapselband

c)

gewrichtskapsel

d)

kraakbeenlaagje

e)

gewrichtskom

38.

Waarmee zitten spieren vast aan het bot?

a)

spiervezels

b)

pezen

c)

spiercellen

d)

spiertouwtjes