wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorzetsel

Total questions: 15

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


Ik ben benieuwd naar de cijfers.

a)

ben

b)

benieuwd

c)

naar

d)

de

2.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


De pen ligt op de tafel.

a)

de

b)

ligt

c)

op

d)

tafel

3.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


Ik ging helemaal op in het taalspelletje.

a)

op

b)

in

c)

op, in

d)

op, in, het

4.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


Hij speelde de eerste wedstrijd in aanwezigheid van zijn hele familie.

a)

speelde

b)

in

c)

van

d)

in, van

5.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


Op de kast ligt een mooi boek.

a)

op

b)

op, de

c)

ligt

d)

een

6.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


Ik ga met de trein naar mijn werk.

a)

met

b)

naar

c)

met, naar

d)

met, naar, mijn

7.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


Hij reisde de hele wereld over.

a)

reisde

b)

hele

c)

over

8.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


Onder het kleed lag veel stof.

a)

het

b)

lag

c)

veel

d)

onder

9.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


De inbreker stond achter de deur.

a)

stond

b)

achter

c)

stond, achter

d)

stond, achter, de

10.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


Op het aanrecht ligt een theezakje.

a)

op

b)

het

c)

op, het

d)

het, ligt

11.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


Onder de auto ligt een snoeppapiertje.

a)

onder, ligt

b)

onder

c)

ligt

d)

onder, de, ligt

12.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


Ik ga morgen naar mijn oma.

a)

ga

b)

morgen

c)

naar

d)

mijn

13.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


De meisjes kijken elkaar verbaasd aan.

a)

De

b)

aan

c)

verbaasd

d)

Deze zin bevat geen voorzetsel

14.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


In de stad ben ik van hot naar het gelopen.

a)

in

b)

in, van

c)

in, van, naar

d)

Deze zin bevat geen voorzetsel

15.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


Ik ga maar af op wat de dokter zegt.

a)

af

b)

op

c)

wat

d)

Deze zin heeft geen voorzetsel.