wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hulpwerkwoord

Total questions: 15

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Jan is naar het zwembad geweest.

a)

is

b)

geweest

c)

is geweest

d)

naar

2.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Ik heb erg veel fruit gegeten.

a)

veel

b)

gegeten

c)

heb

d)

heb gegeten

3.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Ik ben vorige week van mijn fiets gevallen.

a)

gevallen

b)

ben

c)

vorige week

d)

ben gevallen

4.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Hij wilde een pleister op de wond plakken.

a)

plakken

b)

wilde plakken

c)

wilde

d)

op

5.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Ik heb hem voor het mooie cadeau bedankt.

a)

bedankt

b)

heb

c)

heb bedankt

d)

hem

6.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Waar heb jij de cadeautjes verstopt?

a)

heb

b)

verstopt

c)

heb verstopt

d)

cadeautjes

7.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Vanaf morgen zal ik altijd mijn huiswerk maken.

a)

Vanaf

b)

maken

c)

zal

d)

zal maken

8.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Ik wilde die mooie broek ook hebben.

a)

hebben

b)

wilde

c)

wilde hebben

d)

mooie broek

9.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Het kleine meisje bleef huilen.

a)

kleine meisje

b)

bleef

c)

huilen

d)

bleef huilen

10.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Ik heb de hele dag gezocht naar mijn leesboek.

a)

mijn leesboek

b)

gezocht

c)

heb gezocht

d)

heb

11.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Gelukkig was ik al naar mijn tante geweest.

a)

was

b)

geweest

c)

was geweest

d)

al

12.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Blijf je nog lang daar staan?

a)

Blijf

b)

staan

c)

blijf staan

d)

lang

13.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Vader ging Joep troosten.

a)

ging troosten

b)

troosten

c)

ging

d)

Joep

14.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Ik heb vorige week mijn verjaardag gevierd.

a)

heb

b)

gevierd

c)

heb gevierd

d)

vorige week

15.

Hij wil later piloot worden.

a)

worden

b)

wil later worden

c)

wil worden

d)

wil