wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

meervoud znw 3KBL

Total questions: 32

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ik koop een bal.
a)
Ik
b)
koop
c)
een
d)
bal
2.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Hij koopt die auto.
a)
Hij
b)
koopt
c)
die
d)
auto
3.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ik wil naar Amsterdam.
a)
Ik
b)
wil
c)
naar 
d)
Amsterdam
4.
Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin:
De hond eet veel te veel.
a)
veel
b)
de
c)
hond
d)
te
5.
Wat is het lidwoord in de zin:
Ons konijn Frits heeft de kabel doorgebeten.
a)
de
b)
ons
c)
Frits
d)
kabel
6.
Wat is het lidwoord in de zin:
Onze hamsters krijgen morgen een nieuwe kooi.
a)
kooi
b)
onze
c)
hamsters
d)
een
7.
Wat is het lidwoord in de zin:
Het meisje is allergisch voor honden en katten.
a)
voor
b)
meisje
c)
het
d)
is
8.

Wat is het meervoud van: het potlood

a)

De potloden

b)

De potlooden

c)

De potloods

d)

Het potlooden

9.

Wat is het meervoud van: De muur

a)

De muren

b)

De muuren

c)

De muurs

d)

De murren

10.

Wat is het meervoud van: de taxi

a)

de taxien

b)

de taxis

c)

de taxi's

d)

de taxies

11.

Wat is het meervoud van: de boom

a)

De bomen

b)

De boomen

c)

De bommen

d)

De boms

12.
Op school zijn repetities voor de musical Hair.
a)
musical = znw, Hair=eigennaam
b)
musical en Hair zijn allebei znw
c)
musical = bnw, want het zegt iets over Hair
13.
Een zelfstandig naamwoord kun je in het meervoud zetten en je kunt er een verkleinwoord van maken.
a)
Juist
b)
Onjuist, een zelfstandig naamwoord kan nooit een verkleinwoord zijn.
14.
Het meisje pakt een bekertje met water en zet haar tas neer.Welke zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin? 
a)
meisje, bekertje, water, tas
b)
water, tas
c)
haar, meisje
15.
Op welke manieren kun je controleren of je te maken hebt met een zelfstandig naamwoord?
a)
Kijken of er twee voorzetsels in de buurt staan.
b)
Het woord in een andere tijd zetten.
c)
Een lidwoord ervoor zetten en er meervoud van maken.
16.

Wat is het meervoud van: salto?

a)

saltos

b)

salto's

c)

saltoen

d)

saltoën

17.

Wat is het meervoud van: paraplu?

a)

paraplus

b)

parapluen

c)

paraplu's

d)

parapluën

18.

Wat is het meervoud van: gedachte?

a)

gedachten

b)

gedachte

c)

gedachtes

d)

gedachteen

19.

Wat is het meervoud van: prikkel?

a)

prikkelen

b)

prikkel's

c)

prikkels

d)

prikkeles

20.

Wat is het meervoud van: ziekte?

a)

ziekten

b)

ziekte's

c)

ziektes

d)

ziekteën

21.

Wat is het meervoud van: lied?

a)

lieden

b)

lieds

c)

liederen

d)

liedes

22.

Wat is het meervoud van: aardappel?

a)

aardappelen

b)

aardappels

c)

aardappeles

d)

aardappel's

23.

Wat is het meervoud van: muis?

a)

muisen

b)

muisjes

c)

muizen

d)

muizjes

24.

Wat is het meervoud van: havik?

a)

haviken

b)

havikken

c)

haviks

d)

havikes

25.

Wat is het meervoud van: baby?

a)

babys

b)

babies

c)

baby's

d)

babieën

26.

Wat is het meervoud van: fee?

a)

fees

b)

feën

c)

feeën

d)

fee's

27.

Wat is het meervoud van: perzik?

a)

perziks

b)

perzikes

c)

perzikken

d)

perziken

28.

Waar of niet waar:

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op een -a, -o, -u, -i of -y, schrijf je 's in het meervoud.

a)

Waar

b)

Niet waar

29.

Wat is het meervoud van positie?

a)

positiën

b)

positieën

c)

posities

d)

positie's

30.

Wat is het meervoud van penalty?

a)

penalty's

b)

penaltys

c)

penalties

d)

penaltiën

31.

Wat is het meervoud van DOUCHE?

a)

douchen

b)

douches

c)

douche's

32.

Wat is het meervoud van SCHROEF?

a)

schroeffen

b)

schroefen

c)

schroeven