Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

samengestelde woorden 2KBL Wschat H5

Total questions: 42

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

grof

a)

onaardig, ruw

b)

ruw, erg onbeleefd

2.

boegbeeld

a)

versierd beeld op een schip

b)

beeld die op een speciale manier wordt gemaakt met verschillende technieken

3.

zorgvuldig

a)

je krijgt de juiste zorg

b)

met veel aandacht en heel precies, nauwkeurig

4.

ten onrechte

a)

niet rechtvaardig

b)

zonder goede reden

5.

beer + goed

a)

beregoed

b)

berengoed

6.

maan + schijn

a)

manenschijn

b)

maneschijn

7.

Kat + bak

a)

Kattenbak

b)

Kattebak

c)

Kattesbak

d)

Katten-bak

8.

Lang + afstand + loper

a)

langeafstands loper

b)

lange afstandsloper

c)

langeafstandsloper

d)

langeafstandloper

9.

Zijn lievelingskleur is (donker + blauw)

a)

Donker-blauw

b)

Donkersblauw

c)

Donkerenblauw

d)

Donkerblauw

10.

Welke bewering is waar?

a)

Samenstellingen schrijf je altijd aan elkaar.

b)

Samenstellingen schrijf je bijna altijd aan elkaar.

c)

Alle delen van een samenstelling schrijf je los.

11.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Huisvredebreuk

b)

Huisvrede breuk

c)

Huis vrede breuk

12.

ster + hemel

a)

sterrenhemel

b)

sterrehemel

13.

Welke van de volgende samenstellingen is juist gespeld?

a)

Paddestoel

b)

Paddesstoel

c)

Paddenstoel

d)

Padden-stoel

14.

Welke van de volgende samenstellingen is juist gespeld?

a)

Rundvlees

b)

Rundsvlees

c)

Runsvlees

d)

Rund-vlees

15.

Welke van de volgende samenstellingen is juist gespeld?

a)

Liefdebrief

b)

Liefde-brief

c)

Liefdesbrief

d)

Liefbrief

16.

Welke bewering(en) zijn waar over voorvoegsels?

a)

Een voorvoegsel is een stukje dat je voor een woord kan toevoegen.

b)

Het woordje 'voor' in het woord 'voorvoegsel' is ook een voorvoegsel.

c)

Voorvoegsels worden nauwelijks gebruikt in de Nederlandse taal

17.

Wat betekent het voorvoegsel 'her'? (Bijvoorbeeld in het woord 'hergebruiken'.)

a)

opnieuw

b)

niet

c)

heel erg

18.

Wat betekent het voorvoegsel 'on'? (Bijvoorbeeld in het woord 'onnodig'.)

a)

opnieuw

b)

niet

c)

heel erg

19.

Welke onderstaande woorden hebben een voorvoegsel?

a)

morgen

b)

herkennen

c)

beter

d)

onaardig

e)

supervet

20.
Gebruik een voor- of achtervoegsel:
Als je iets elke maand doet, dan doe je dat .......
a)
elke maand
b)
maandelijks
c)
intermaand
d)
maandlijks
21.
Gebruik een voor- of achtervoegsel:
Van een laag cijfer word ik niet gelukkig, oftewel ik word .............
a)
gelukloos
b)
niet gelukkig
c)
gelukkigloos
d)
ongelukkig
22.
In het lokaal heerste een complete wanorde.
a)
geen orde
b)
veel orde
c)
niet meer orde
d)
wel orde
23.
Communicatie tussen twee plekken heet ook wel een .......com
a)
ex
b)
her
c)
inter
d)
non
24.
Als je iets koopt bij de Jumbo en het is geen voedsel, dan noem je dat ook wel: ..... food.
a)
ex
b)
her
c)
inter
d)
non
25.
Iemand die president is geweest, noem je ook wel een .... president.
a)
ex
b)
her
c)
inter
d)
non
26.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De vakantie staat voor de deur.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
c)
geen idee juf
27.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De vader van Kim staat voor de deur.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
c)
geen idee juf
28.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Hij laat zijn tanden zien aan de tandarts.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
c)
geen idee juf
29.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Zij is het zonnetje in huis want zij is echt de vrolijkste van het gezin.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
c)
geen idee juf
30.
Welk spreekwoord werd hier getekend? 
a)
De wind in de zeilen hebben.
b)
Het gaat hem/haar voor de wind.
c)
Hoge bomen vangen veel wind.
d)
Hij draait met de wind.
31.
Vul het volgende spreekwoord aan:
Als de kat van huis is...
a)
vieren de muizen feest.
b)
drinken de muizen melk.
c)
is het stil.
d)
dansen de muizen op tafel.
32.
Welk spreekwoord hoort bij de volgende betekenis:
Met moeite aan een groot gevaar ontsnappen.
a)
Door het oog van de naald kruipen.
b)
Hij is een wolf in schaapskleren.
c)
Er zijn haaien op de kust.
d)
Hij speelt met vuur.
33.
Welk spreekwoord werd hier getekend?
a)
De appel valt niet ver van de boom.
b)
Appels met peren vergelijken.
c)
Door de zure appel bijten.
d)
Een appeltje met iemand te schillen hebben.
34.
Vul het volgende spreekwoord aan:
Men mag een gegeven paard...
a)
niet achter de wagen spannen.
b)
niet aan een boom binden.
c)
niet in de bek kijken.
d)
niet van stal halen.
35.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De vader van Fatima is een boom van een vent.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
36.
achter het net vissen
a)
te laat komen om nog kans te hebben op succes 
b)
fout vissen
c)
vervelend doen 
d)
iemand missen
37.
de kat uit de boom kijken
a)
afwachten
b)
je vervelen
c)
slapen
d)
stoppen
38.
Men moet een gegeven paard niet in de bek kijken. 
a)
Je moet commentaar hebben op een gekregen cadeau. 
b)
Je moet niet veel kritiek hebben op een cadeau. 
c)
Wanneer je een cadeau krijgt, moet je tevreden zijn. 
39.
water naar de zee dragen
a)
nutteloos werk doen
b)
heel zwaar werk doen
c)
heel licht werk doen
40.
een storm in een glas water
a)
ergens heel erg boos om zijn
b)
veel drukte om niets
c)
er is iets ergs gebeurd 
41.

Je gauw uit de voeten maken

a)

uit de gevangenis

b)

snel weggaan

c)

veel geld uitgeven

42.

Gauw op de teentjes getrapt zijn

a)

niet naar buiten gaan

b)

iemand iets verwijten

c)

snel beledigd zijn