wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorbereiding toets toetsweek 4.2 4.3 4.4 5.1 en 5.2

Total questions: 28

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

(5.1) Als in een elektriciteitscentrale chemische energie wordt omgezet in 40% elektrische energie en 60% afvalwarmte dan heeft de centrale een rendement van...

a)

40%

b)

60%

2.

(5.1) 40 kJ komt overeen met

a)

4000 J

b)

40000 J

c)

400 J

3.

(5.1) 35 MJ komt overeen met

a)

35000000 J

b)

35000 J

c)

3500000 J

4.

(5.1) Een batterij

a)

zet chemische energie om in elektrische energie

b)

zet chemische energie om in kinetische energie

c)

zet elektriche energie om in kinetische energie

d)

zet elektrische energie om in chemische energie

5.

(5.1) Het rendement

a)

Is nooit groter dan 100%

b)

Laat ons weten welke energievorm bruikbaar is

c)

Ligt tussen 50% en 100%

d)

Heeft als eenheid de joule

6.

(5.1) Vermogen kan berekend worden met volgende formule :

a)

P = U . I / t

b)

P = W / T

c)

P = E / t

d)

P = E / T

7.

(5.1) De kWh

a)

is een eenheid van energie

b)

is een eenheid van kracht

c)

is een eenheid van rendement

d)

is een eenheid van vermogen

8.

(4.2) Negatieve arbeid..

a)

bestaat niet.

b)

is hetzelfde als energieverlies.

c)

ontstaat als kracht en afgelegde weg niet constant zijn.

d)

ontstaat als kracht en afgelegde weg tegengesteld zijn.

9.

(4.2) Arbeid hangt af van de benodigde kracht en verplaatsing. Arbeid bereken je met de formule:

a)

W=F*s

b)

W=0,5m*v

c)

W=0,5m*v2

d)

W=F/s

10.

(4.3) Omrekenen: kilometers/uur naar meters/seconde is...

a)

...kilometers DELEN door 3,6

b)

...kilometers VERMENIGVULDIGEN met 3,6

c)

...kilometers VERMENIGVULDIGEN met 1000 en dan DELEN door 3600

11.

(4.2) Bij een vertraagde beweging is de meewerkende kracht groter dan de tegenwerkende kracht.

a)

waar

b)

niet waar

12.

(4.2) Welk symbool hoort bij de grootheid verplaatsing?

a)

v

b)

s

c)

V

d)

S

13.

(4.2) In welke situatie(s) wordt er arbeid verricht?

a)

Flip tilt zijn tas op zijn schouder.

b)

Een piano hangt aan een touw

c)

Een fietser trapt op zijn trappers en hij gaat vooruit

d)

Jan duwt tegen een kast, maar de kast blijft op zijn plek

14.

(4.1)Kees tilt de gevulde wasmand van 5 kg naar zolder. Hij legt dan een afstand van 3 meter af via de trap.

Hoe groot is de arbeid die Kees levert?

a)

15 N

b)

15 J

c)

147 N

d)

147 J

15.

(4.1) Lara is uit een vliegtuig gesprongen en bungelt nu aan een parachute. Ze gaat nog steeds naar beneden richting de grond, maar niet zo hard als zonder een parachute.

Welke kracht levert er nu negatieve arbeid?

a)

de zwaartekracht

b)

de kracht van de wind

c)

de luchtweerstand

d)

Er wordt geen negatieve arbeid geleverd

16.

(4.3) Je ziet hier een vt diagram. Welk gekleurd vlak stelt de stopafstand voor?

a)

Het blauwe vlak

b)

Het groene vlak

c)

Het gele vlak

d)

Het blauwe en groene vlak samen

e)

Het groene en gele vlak samen

17.

(4.3) Bereken aan de hand van het diagram de remweg

a)

5 m

b)

12,5 m

c)

25 m

d)

37,5 m

18.

(4.3) Een auto heeft tijdens het rijden een bewegingsenergie van 500 kJ. De auto bots tegen een lantaarnpaal. Hij heeft een kreukelzone van 75 cm.

Hoe groot is de kracht op de auto tijdens de botsing?

a)

6,7 N

b)

6667 N

c)

667 kN

d)

37500 N

19.

(4.3) Hoe kan je de botskracht tijdens een botsing verkleinen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Door het dragen van een gordel

b)

Door in een minder zware auto te rijden

c)

Door airbags in het stuur in te bouwen

d)

Door je adem in te houden tijdens de botsing

20.

(4.4) Als ze snelheid, de massa en de kracht bekend zijn. Hoe kan je dan de stoot berekenen?

a)

Stoot = v x m

b)

Stoot = m x F

c)

Stoot = F x v

d)

Stoot = F x v x m

21.

(4.4) Als de kracht, massa en duur van beweging bekend zijn, hoe reken je dan uit hoe groot de snelheid is?

a)

v = F x m x t

b)

v = F / ( m x t)

c)

v = (F x t) / m

d)

v = (m x t) / F

22.

(4.4) Een auto met een massa van 1500 kg, rijdt met een snelheid van 120 km/h. Hij rijdt voor 30 minuten op de snelheid. Bereken de stoot van de auto.

a)

28 Ns

b)

6000 Ns

c)

50 kNs

d)

5400 kNs

23.

(5.1)Je ziet hier een afbeelding van een energiestroomdiagram.

Welke energiesoort stelt de rode pijl voor?

a)

Egebruikt

b)

Enuttig

c)

Etotaal

d)

Eniet-nuttig

24.

(5.1)Aan de hand van een energiestroomdiagram kan je de het rendement berekenen. Welke blokken moet je hiervoor door elkaar delen?

a)

rendement = geel /groen x 100%

b)

rendement = (geel + rood ) / groen x 100%

c)

rendement = groen / geel x 100%

d)

rendement = groen/ rood x 100%

25.

(5.1) Het rendement van een waterkoker is 60%. Er is 3,1 kJ voor nodig om het water aan de kook te krijgen.

Hoeveel elektrische energie is er gebruikt?

a)

0,052 kJ

b)

5,2 kJ

c)

1,86 kJ

d)

186 kJ

26.

(5.1) Een elektrische auto heeft een vermogen van 16 kW. Na hoeveel uur rijden heeft de auto 547.200.000 J verbruikt?

a)

9,5 h

b)

2432 h

c)

34.200 h

d)

34.200.000 h

27.

(5.2)Wat is het gemiddeld energiegebruik van de koelkast per maand?

a)

13 kWh

b)

23 kWh

c)

155 kWh

d)

280 kWh

28.

(5.2) Hoeveel geld ben aan energiekosten kwijt voor de koelkast na 5 jaar? prijs per kWh is 20 cent.

a)

56 euro

b)

280 euro

c)

5600 euro

d)

28.000 euro