wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 basis hoofdstuk 5 elektrische energie en veiligheid

Total questions: 34

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Op de afbeelding zie je het typeplaatje van een wasmachine.


Hoe groot is het vermogen van de wasmachine?

a)

50 W

b)

230 W

c)

245 W

d)

2500 W

2.

Welke stelling is niet waar?

a)

Als het rendement 30% is, is het energieverlies 70%.

b)

Het energieverlies is 20%. Dan is het rendement 80%.

c)

Vermogen is het energieverbruik per seconde.

d)

Vermogen is het energieverbruik per uur.

3.

Welke twee grootheden heb je nodig om het energieverbruik te berekenen?

a)

capaciteit

b)

temperatuur

c)

tijd

d)

vermogen

4.

Een apparaat zet 60% van de energie om in nuttige energie. Dit apparaat heeft een ............. van 60 %.

a)

rendement

b)

energie verlies

5.

Welke stelling is waar?

a)

De draad voor de aardleiding is bruin.

b)

Isolatie voorkomt kortsluiting tussen fase en nul.

c)

Bij kortsluiting wordt de stroom heel klein.

6.

Als je huid nat wordt, wordt je lichaamsweerstand ............

a)

kleiner

b)

groter

c)

blijft gelijk

7.

Hoe kleiner je lichaamsweerstand, hoe ......... de stroom door je lichaam.

a)

kleiner

b)

groter

8.

de fasedraad is

a)

groen geel

b)

blauw

c)

bruin

d)

zwart

9.

de nuldraad is

a)

groen geel

b)

blauw

c)

bruin

d)

zwart

10.

de aardleiding is

a)

groen geel

b)

blauw

c)

zwart

d)

bruin

11.

Een koelkast wordt aangesloten op het lichtnet. De buitenkant van de koelkast is gemaakt van metaal.


Welke stekker is het veiligst om te gebruiken?

a)

stekker A

b)

stekker B

c)

stekker C

12.

Een wasmachine is voorzien van randaarde. Dat voorkomt dat het apparaat bij een defect onder spanning komt te staan.


Met welk symbool geef je de aardverbinding (randaarde) aan?

a)

symbool a

b)

symbool b

c)

symbool c

d)

symbool d

13.

Bij een apparaat met dubbele isolatie kan nooit spanning op de buitenkant staan.

a)

waar

b)

niet waar

14.

Wat betekent dit symbool?

a)

is dubbel geïsoleerd

b)

is erg stevig

c)

mag alleen binnenshuis worden gebruikt

15.

Bij een apparaat met dubbele isolatie kan nooit spanning op de buitenkant staan.

a)

waar

b)

niet waar

16.

welke stelling is waar

a)

De aardlekschakelaar schakelt de spanning uit bij een te grote lekstroom.

b)

Bij overbelasting raken fase en nul elkaar.

c)

Kortsluiting is hetzelfde als overbelasting.

17.

Een smeltveiligheid staat ........... met de aangesloten apparaten.

a)

in serie

b)

in parallel

18.

Een installatieautomaat is een schakelaar die automatisch omklapt als de stroom in de groep te groot wordt. De spanning in de groep valt dan weg.

De installatieautomaat is ............. geschakeld met de apparaten in de groep.

a)

in serie

b)

in parallel

19.

Als iemand een kapotte stroomdraad aanraakt, zal de aardlekschakelaar de spanning uitschakelen.

a)

juist

b)

onjuist

20.

Stroom loopt via de fasedraad naar een apparaat en via de nuldraad weer terug.

Als de stroom in de fasedraad ............ is dan de stroom in de nuldraad, schakelt de aardlekschakelaar de spanning uit.

a)

kleiner

b)

even groot

c)

groter

21.

welke stelling is niet waar?

a)

De zekering in een auto is een smeltveiligheid.

b)

De capaciteit is de hoeveelheid energie per seconde die een accu levert.

c)

Capaciteit is de hoeveelheid energie die een accu kan leveren.

22.

De dynamo zorgt ervoor dat de ..... wordt opgeladen.

a)

accu

b)

startmotor

23.

Welke zekering is kapot?

a)

geen van beide

b)

zekering A

c)

zekering B

d)

beide zekeringen

24.

De motor van een auto loopt.


Welk apparaat zorgt ervoor dat de accu wordt opgeladen?

a)

de dynamo

b)

de krukas

c)

de startmotor

d)

de v-snaar

25.

Welke stelling is niet waar?

a)

In een auto wordt de stroomkring gesloten door de massa.

b)

De massa van een auto is aangesloten op de plus van de accu.

c)

De zekering in een auto is een smeltveiligheid.

26.

Wat betekent dit symbool?

a)

aardleiding

b)

lamp

c)

massa

d)

zekering

27.

Wat is een relais?

a)

een schakelaar

b)

een smeltveiligheid

c)

een transistor

d)

een banaan

28.

Stroomkring 1 is gesloten. Daardoor is het maakcontact gesloten

De startmotor draait ............

a)

wel

b)

niet

29.

Wat wordt weegegeven met dit symbool?

a)

een maakcontact

b)

een massa

c)

een relais

d)

een transistor

30.

Stroomkring 1 is open. Daardoor is het maakcontact geopend. De startmotor draait ......

a)

wel

b)

niet

31.

Een apparaat is aangesloten op het verbreekcontact van een relais.

Als er stroom door het relais loopt, is de stroomkring van het apparaat ..........

a)

geopend

b)

gesloten

32.

Wat betekent het symbool in het midden, waar T1 bij staat?

a)

diode

b)

transistor

c)

schakelaar

d)

weerstand

33.

Een apparaat is aangesloten op het verbreekcontact van een relais.

Er loopt geen stroom door het relais.

Er loopt nu stroom door de stroomkring van het apparaat.

a)

waar

b)

niet waar

34.

Een transistor laat alleen stroom door als er spanning staat op de collector.

a)

waar

b)

niet waar