wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Persoonsvorm en Onderwerp

Total questions: 19

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Persoonsvorm:

Wie van jullie is komen lopen?

a)

lopen

b)

is

c)

wie van jullie

d)

komen

2.

Persoonsvorm:

Daar heeft hij een geweldige overwinning behaald?

a)

daar

b)

hij

c)

heeft

d)

behaald

3.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
4.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
5.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
6.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
7.
Een agent heeft aan het drukke kruispunt het verkeer goed in de war gestuurd.
De persoonsvorm is:
a)
heeft
b)
drukke
c)
gestuurd
8.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
9.
Elke dag wandelde Lutje met haar hond Foksie naar het park om hem daar te laten ravotten met andere honden.
Het onderwerp in deze zin is...
a)
haar hond Foksie
b)
Foksie
c)
Lutje
d)
andere honden
10.
Anneke vertelde Marieke het geheim van haar broer.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
Anneke
b)
Marieke
11.
Terwijl mama het avondeten bereidt, leest papa in de woonkamer de krant.
De persoonsvorm is deze zin is...
a)
bereidt
b)
leest
12.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
13.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
14.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

15.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

16.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

17.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

18.

Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.

a)

ik

b)

wil kijken

c)

wil

d)

in de klas

19.

Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?

a)

Waarom

b)

schoenveter

c)

gaat

d)

gaat los