wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stofwisseling en Planten V5

Total questions: 28

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.
Hoeveel ATP levert de glycolyse bruto? en hoeveel netto?
a)
bruto 2 netto 2
b)
bruto 2 netto 4
c)
bruto 4 netto 2
d)
bruto 4 netto 4
2.
In welk proces wordt het ATP gemaakt uit NADH?
a)
glycolyse
b)
gisting
c)
citroenzuurcyclus
d)
oxidatieve fosforylering
3.
Hoeveel energie kost de omzetting van 1 pyrodruivenzuur naar 1 melkzuur?
a)
dit kost geen energie
b)
2 ATP
c)
1 NADH
d)
2 NADH
4.

De enzymen X,Y en Z kunnen werkzaam zijn in hetzelfde organisme.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Bij 20 graden zet elk intact enzym X meer stoffen om dan elk intact enzym van Y.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Bij welke reactieketen van de fotosynthese komt zuurstof vrij?

a)

Lichtreactie

b)

Calvincyclus (donkerreactie)

7.

Hoe heet het eiwit dat H+ van het stroma naar het thylakoïd pompt?

a)

Feofytine

b)

Cytochroom-bf

c)

NADP-reductase

d)

ATP-synthetase

8.

In de cel van een plant vinden processen plaats waarbij energie wordt verbruikt.

Een aantal processen in plantencellen zijn:

1 - Donkerreactie

2 - Omzetting van ATP in ADP en Pi

3 - Vorming van zetmeel

a)

Alleen bij 1

b)

Alleen bij 2

c)

Alleen bij 3

d)

Alleen bij 1 en 3

e)

Alleen bij 2 en 3

9.
Fosforylering
a)
Binden van een fosfaatgroep aan ADP
b)
Het vrijkomen van een fosfaatgroep van ATP
10.
Wat is correct? 1) Enzymen verlagen de activeringsenergie. 2) Enzymen verhogen de hoeveelheid energie die vrijkomt bij een reactie. 3) Enzymen zijn herbruikbaar
a)
1, 2
b)
1, 3
c)
2, 3
d)
1, 2, 3
11.
Welk 2 stoffen uit de lichtreactie zijn noodzakelijk voor het verdere verloop van zetmeelvorming in een plant?
a)
NADPH & ATP
b)
NADP & ADP
c)
H2O & CO2
12.
Juist of onjuist? Bij alcoholgisting ontstaat naast alcohol ook CO2
a)
juist
b)
onjuist
13.
Een glucose molecuul wordt gesplitst in 2 pyrodruivenzuurmoleculen
a)
Oxidatieve fosforylering
b)
Citroenzuurcyclus
c)
Glycolyse
d)
Calvincyclus
14.
Voor welk(e) proces(sen) van de aerobe verbranding is zuurstof nodig
a)
glycolyse
b)
citroenzuurcyclus
c)
oxidatieve fosforylering
d)
alle 3
15.
Hoeveel ATP wordt er gemaakt van 1 NADH?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
16.
Welke stappen zijn nodig bij de dissimilatie van een vetzuur? Zie Binas 68E!
a)
Alleen de glycolyse
b)
glycolyse, citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering
c)
Alleen citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering
d)
Alleen citroenzuurcyclus
17.

Het menselijk lichaam bezit een zeer grote verscheidenheid aan enzymen. Deze verscheidenheid wordt verklaard door:

a)

de beperkte levensduur van enzymen

b)

de substraat- en reactiespecifieke werking van enzymen

c)

de noodzakelijke aanwezigheid van enzymgebonden co-factoren

d)

de noodzakelijke aanwezigheid van enzymgebonden co-enzymen

18.

Welk van onderstaande stellingen is juist? Een enzym...

a)

... katalyseert altijd verschillende reacties.

b)

... wordt gesynthetiseerd vanuit instructies opgeslagen in desoxyribonucleïnezuren.

c)

levert energie voor het uitvoeren van biochemische reacties.

d)

kan slechts eenmalig zijn werk doen.

19.

Welke processen doen zich voor tijdens de lichtafhankelijke reacties van de fotosynthese?

a)

Splitsing van H2O, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van O2, oxidatie van CO2

b)

oxidatie van H2O, reductie van NADP+, fosforylering van ADP, reductie van O2

c)

oxidatie van H20, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van glucose

d)

Splitsing van H2O, reductie van NADP+, synthese van ATP, vorming van O2

20.

Welke van de volgende stellingen is juist?

a)

In alle eukaryote cellen vindt zowel fotosynthese als celademhaling plaats

b)

Fotosynthese en celademhaling zijn metabole processen die tegelijkertijd kunnen optreden in autotrofe organismen.

c)

Zowel fotosynthese, als celademhaling zijn licht- en temperatuurafhankelijk.

d)

Fotosynthese en celademhaling gebeuren in afzonderlijke, gespecialiseerde organellen, maar nooit tegelijkertijd.

21.

Bekijk 91.2 in je Binas. Je ziet een dwarsdoorsnede van een tak. Drie lagen in deze doorsnede zijn: Kurkcambium, Kurk en het collenchym.

Welk van de onderstaande delen ligt in de stam het dichtst bij de binnenzijde van het kurkcambium?

a)

De bast

b)

Het cambium

c)

Het xyleem

d)

Het merg

22.

In de afbeelding zie je twee vaten. Gebruik je Binas en geef aan welke naam bij welk nummer hoort.

a)

1= Xyleem 2= Houtvat

b)

1= Xyleem 2= Floëem

c)

1= Floëem 2= Bastvat

d)

1= Floëem 2= Xyleem

23.

Hoe heet de vloeistof die zich in een chloroplast bevindt?

a)

Thylakoïd

b)

Granum

c)

Stroma

24.

Wat is de naam van onderdeel B?

a)

Xyleem

b)

Floëem

c)

Cambium

25.

Een autotroof ééncellig organisme leeft tijdelijk in een volledig anaeroob milieu.


Welk organel zal in een dergelijk organisme niet functioneel zijn?

a)

mitochondriën

b)

chloroplasten

c)

lysosomen

d)

golgi-apparaat

26.

Welk van de uitspraken in verband met de glycolyse is correct?

a)

Ze vindt plaats in de mitochondriën

b)

Tijdens de glycolyse wordt zowel ATP gevormd als verbruikt.

c)

Bij de glycolyse van één glucosemolecuul krijg je twee ethanol-moleculen.

d)

Wordt enkel ADP omgezet naar ATP en niet omgekeerd.

27.

Tijdens een experiment laar men een muis 18O2 (een radio-isotoop van zuurstof) inademen en geeft men ze een waterige oplossing van 14C6H12O6 te drinken (glucose met een radio-isotoop van koolstof, opgelost in water).


In welke van onderstaande reactieproducten worden deze radio-isotopen het eerst aangetroffen?

a)

water

b)

pyrodruivenzuur en water

c)

koolstofdioxide en water

d)

acetyl CoA en water

28.

Wat is de verhouding van de CO2-opbrengst bij verbranding van glucose via de citroenzuurcyclus in vergelijking met de alcoholische gisting?

a)

2/1

b)

3/1

c)

6/1

d)

12/1