wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4.1 Waarnemen - kader 3

Total questions: 12

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

2.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

3.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> impuls --> zenuw --> hersenen --> impuls --> zenuw

b)

Zintuig --> prikkel --> impuls --> hersenen --> zenuw

c)

Prikkel -> impuls --> zenuw --> hersenen --> zenuw --> impuls

d)

Zintuig --> impuls --> hersenen --> zenuw --> impuls

4.

Welke onderdelen behoren tot het centraal zenuwstelsel

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwen

5.

Uit hoeveel zintuigen bestaat het zintuigenstelsel?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

6.

Aan wat zijn zintuigcellen verbonden?

a)

prikkel

b)

impuls

c)

zenuwen

d)

hersenen

7.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

8.

Wat is er in het plaatje te zien?

a)

Zintuigcel

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zenuw

e)

Deel van de hersenen

9.

Vorm en temperatuur zijn adequate prikkels voor de tastzintuigen.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Uitwendige prikkels worden ook wel impulsen genoemd.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
12.
Zenuwen komen samen in
a)
je spieren
b)
je hersenen
c)
je ruggenmerg
d)
je skelet