wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K2C doelen en betrouwbaarheid van een tekst

Total questions: 30

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
2.

Wat zijn hoofdzaken?

a)

De titel van een tekst

b)

Het belangrijkste van de tekst in één zin

c)

Alle informatie die in een tekst belangrijk is

d)

De conclusie van een tekst

3.
Het onderwerp van de tekst beschrijf je
a)
Zo kort mogelijk
b)
Zo uitgebreid mogelijk
c)
In drie zinnen
d)
Niet
4.

Waaruit bestaat betrouwbare informatie?

a)

Feiten

b)

Feiten en meningen

c)

Meningen

5.

Wat is de bron van een tekst

a)

Geeft aan waar een tekst vandaan komt

b)

De aanleiding van de tekst

c)

Het slot van de tekst

d)

De conclusie

6.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
7.

Een feitelijk argument

a)

kun je controleren

b)

kun je niet controleren

8.
Wat is het tekstdoel?
Een recept voor appelcake.
a)
informeren
b)
instructies geven
c)
overtuigen
d)
activeren
9.
Wat is het tekstdoel?
Een artikel op Wikipedia over Antwerpen.
a)
informeren
b)
activeren
c)
instructies geven
d)
overtuigen
10.
Wat is het tekstdoel?
Een poster met verschillende argumenten waarom je beter water drinkt dan frisdrank.
a)
informeren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
amuseren
11.
Wat is het tekstdoel?
Een reclameadvertentie voor de nieuwste film van James Bond.
a)
activeren
b)
informeren
c)
instructies geven
d)
amuseren
12.
Wat is het tekstdoel?
Een cartoon in de krant.
a)
amuseren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
ontroeren
13.
Wat is het tekstdoel?
Een bijsluiter van een medicijn waarin staat hoeveel pilletjes per dag je moet nemen.
a)
instructies geven
b)
amuseren
c)
ontroeren
d)
activeren
14.
Wat is het tekstdoel?
In de nieuwsbrief van de school staan alle activiteiten opgesomd van de komende maand.
a)
activeren
b)
amuseren
c)
informeren
d)
instructies geven
15.

Wat is het tekstdoel?

a)

ontroeren

b)

informeren

c)

aanzetten tot actie

d)

ontspannen

16.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

17.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Overtuigen

b)

Adviseren

c)

Tot handelen aanzetten

d)

Instrueren

e)

Amuseren

18.
Aan welke vijf kenmerken herken je het publiek van een tekst? 
a)
inhoud, taalgebruik, bron, lay-out, afbeeldingen 
b)
onderwerp, inhoud, toon, taalgebruik, bron 
c)
toon, bron, lengte, onderwerp, prijs
d)
lay-out, prijs, toon, uiterlijk, spelling 
19.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
20.
Welk schrijfdoel heeft de tekst op het plaatje? 
a)
amuseren 
b)
overtuigen 
c)
opiniëren 
d)
activeren 
21.

Wat is de bron van een tekst

a)

Geeft aan waar een tekst vandaan komt

b)

De aanleiding van de tekst

c)

Het slot van de tekst

d)

De conclusie

22.

Je kunt in één of in een paar woorden zeggen wat het onderwerp van een tekst is

a)

goed

b)

fout

23.

Wat is je doel als je wilt bereiken dat je de lezer vermaakt?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

activeren

d)

overtuigen

24.
Wat is de bron van deze tekst?
a)
De Telegraaf
b)
De Volkskrant
c)
Nu.nl
d)
Het Noord-Hollands dagblad
25.
De titel en de tussenkopjes kunnen je helpen het onderwerp van een tekst te vinden.
a)
Juist
b)
Onjuist
26.

Als het tekstdoel informeren is, is de tekstsoort een:

a)

amuserende tekst.

b)

activerende tekst.

c)

informerende tekst.

d)

uiteenzettende tekst.

27.

Een deelonderwerp is het onderwerp van

a)

de hele tekst.

b)

één of een paar alinea's in de tekst.

c)

altijd één alinea in de tekst.

28.

Waaraan kun je zien voor welk publiek een tekst is geschreven? (meerdere antwoorden)

a)

De bron

b)

Het taalgebruik

c)

Het onderwerp

d)

De lay-out

29.

Waaruit bestaat betrouwbare informatie?

a)

Feiten

b)

Feiten en meningen

c)

Meningen

30.

Wanneer weet je bijna zeker dat een tekst betrouwbaar is?

a)

Als je de bronnen kunt controleren

b)

Dat weet je bijna nooit zeker

c)

Als de schrijver bekend is