wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zinsontleding en woordsoorten groep 8

Total questions: 20

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?


Het Kindcentrum is gesloten vanwege het Coronavirus.

a)

gesloten

b)

is gesloten

c)

is

d)

het Coronavirus

2.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?


De juffen vinden het saai zonder de kinderen op school

a)

De juffen

b)

vinden

c)

het saai

d)

zonder kinderen

3.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?


Juffrouw Anne kan de Bossche bollen niet vinden.

a)

de Bossche bollen

b)

kan vinden

c)

Juffrouw Anne

d)

kan niet vinden

4.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?


Gisteren ging juffrouw Toiny met juffrouw Hanneke wandelen in het bos.

a)

ging

b)

juffrouw Hanneke

c)

in het bos

d)

juffrouw Toiny

5.

Wat is het gezegde in de volgende zin?


De kinderen van groep 8 hebben huiswerk gemaakt.

a)

hebben gemaakt

b)

hebben

c)

De kinderen van groep 7 en 8

d)

gemaakt

6.

Wat is het gezegde in de volgende zin?


Ik ben gaan zwemmen in de badkuip van mijn tante.

a)

ben

b)

ben gaan zwemmen

c)

ben zwemmen

d)

in de badkuip van mijn tante

7.

Welk persoonlijk voornaamwoord past in de zin?


De kinderen kunnen door het Coronavirus niet naar school.

.................moeten allemaal thuis blijven.

a)

Wij

b)

Jullie

c)

Zij

d)

Ik

8.

Welk persoonlijk voornaamwoord past in de zin?


De teamchat wordt goed gebruikt door Koen.

....................stuurt een berichtje naar de juf.

a)

Hij

b)

Jij

c)

Wij

d)

Zij

9.

Welk persoonlijk voornaamwoord past in de zin?


Meneer, kunt.............de poort nog even openen voor me?

a)

je

b)

Jij

c)

u

d)

hij

10.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Ik koop papieren zakdoekjes voor mijn moeder.

a)

Ik

b)

koop

c)

papieren zakdoekjes

d)

voor mijn moeder

11.

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?


Ik geef oma via de brievenbus een klein cadeautje.

a)

oma

b)

de brievenbus

c)

een klein cadeautje

d)

Ik

12.

Wat is de bepaling van tijd in de volgende zin?


Gisteren liep ik met mijn vrienden een rondje door het park.

a)

door het park

b)

met mijn vrienden

c)

Gisteren

d)

een rondje

13.

Wat is het bijwoord in de volgende zin?


De olifant stampte hard op de grond om een worm een te vinden.

a)

De olifant

b)

stampte

c)

hard

d)

een worm

14.

Wat is de bepaling van plaats in de volgende zin?


Ik zit in de woonkamer via Teams te chatten.

a)

zit te chatten

b)

via Teams

c)

in de woonkamer

d)

Ik

15.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


De man gaf de vrouw gisteren een bakje friet.

a)

De man

b)

de vrouw

c)

gisteren

d)

een bakje friet

16.

Welke zelfstandige naamwoorden vind je in de volgende zin?


Ik loop met mijn vader en de hond door het dorp.

a)

ik, vader, hond, dorp

b)

de, het

c)

met, door

d)

vader, hond, dorp

17.

Welke voorzetsels vind je in de volgende zin?


De kat sprong van de tafel en op de muis.

a)

De, de, de

b)

van, en, op

c)

de, van, en, op

d)

van, op

18.

Wat is de bepaling van tijd in de volgende zin?


Wij gaan morgen picknicken in de achtertuin.

a)

Wij

b)

gaan

c)

morgen

d)

in de achtertuin

19.

Wat is de bepaling van plaats in de volgende zin?


Het meisje liep met verwarde haren door de straat.

a)

Het meisje

b)

liep

c)

met verwarde haren

d)

door de straat

20.

Welke bijvoeglijke naamwoorden zitten er in de volgende zin?


De zwarte auto reed keihard door het mooie woonwijken.

a)

De, het

b)

reed

c)

zwarte, mooie

d)

keihard