wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Actieplan ‘Covid-19’: WEEK 1 (W.W.)

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Fossiele brandstoffen zijn brandstoffen die in de aardkorst zitten, ontstaan doordat plantaardig materiaal bedekt werd met _________ en fossiliseerde.

a)

aarde

b)

water

c)

diamant

d)

zuurstof

e)

lucht

2.

Duid alle fossiele brandstoffen aan.

a)

Steenkool

b)

Aardolie

c)

Aardgas

d)

Waterkrachtenergie

e)

Zonne-energie

3.

"Bestaat in belezenheid in de juridische literatuur en vaardigheid om het daarin gevondene toe te passen op de feiten."

a)

Deze milieuwetenschap is: rechtsgeleerdheid

b)

Deze milieuwetenschap is: beleidswetenschappen

c)

Deze milieuwetenschap is: economie

d)

Deze milieuwetenschap is: procestechnologie

e)

Deze milieuwetenschap is: ecologie

4.

Welk land heeft de grootste algemene CO2-uitstoot?

a)

China

b)

Verenigde Staten

c)

India

d)

Rusland

e)

Japan

5.

Bekijk de afbeelding:

Welke term hoort bij de letter A?

a)

waterafvoer

b)

infiltratie

c)

neerslag

d)

verdamping

e)

transpiratie

6.

De aarde bestaat voor ______ uit water.

a)

71%

b)

79%

c)

63%

d)

90%

e)

97%

7.

Zure regen:

Welke stof wordt veroorzaakt door 'uitstoot door wegverkeer'?

a)

stikstofoxiden

b)

ammoniak

c)

zwaveldioxide

8.

Olievervuiling:

Wat is de naam van de olietanker die op 24/03/1989 een milieuramp veroorzaakte bij Bligh Reef?

a)

Exxon Valdez

b)

Deepwater Horizon

c)

Golfoorlog

9.

"Het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof heeft."

Dit is de definitie van een...

a)

molecule

b)

atoomsoort

c)

atoom

d)

elektron

e)

mengsel

10.

Koolstofdioxide en H2O zijn voorbeelden van...

a)

Heterogene mengsels

b)

Homogene mengsels

c)

Samengesteld zuivere stoffen

d)

Enkelvoudig zuivere stoffen

11.

Zijn ijs, water en waterdamp drie verschillende stoffen?

a)

Ja

b)

Nee

12.

Vaste stof → gas

Over welke faseovergang gaat het?

a)

sublimeren

b)

desublimeren

c)

verdampen

d)

condenseren

e)

stollen

13.

Duid zoutzuur aan.

a)

N2

b)

H2SO4

c)

HCl

d)

NaCl

e)

NaOH

14.

Duid het symbool voor kwik aan.

a)

Hg

b)

S

c)

Ar

d)

Pb

e)

Cu

15.

Duid alle homogene mengsels aan.

a)

lucht

b)

zeewater

c)

keukenzout

d)

koolstofmonoxide

e)

H2O

16.

Wat is een synoniem voor soda?

a)

natriumhydroxide

b)

keukenzout

c)

zoutzuur

d)

natriumchloride

e)

ozon

17.

Welke voorvoegsel hoort bij 106

(of 1 000 000)?

a)

mega (M)

b)

giga (G)

c)

micro (µ)

d)

nano (n)

e)

kilo (k)

18.

0,00732 GV = ___________ V

a)

7 320 000

b)

732 000

c)

73 200

d)

0,000 000 007 32

e)

het correcte antwoord staat hier niet tussen

19.

Hoeveel seconden passen er in 2 uur?

a)

7 200

b)

120

c)

0,002

d)

200

e)

het correcte antwoord staat hier niet tussen

20.

840 000 000 µg = ___________ cg

a)

84 000

b)

840 000

c)

0,008 4

d)

840

e)

het correcte antwoord staat hier niet tussen