wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

voorzetsels

Total questions: 11

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Benoem de voorzetsels.

De oma van Jantje heeft koekjes gebakken voor haar verjaardag.

a)

van , oma

b)

de, haar

c)

van, voor

d)

voor, de

2.

Benoem de voorzetsels.

Het kleine meisje had de pop achter de bank in de kamer verstopt.

a)

het, de, de, de

b)

achter, in

c)

achter

d)

in

3.

Benoem de voorzetsels.

Moeder keek tevergeefs onder alle stoelen en tafels.

a)

tevergeefs

b)

alle, en

c)

onder

d)

moeder

4.

Benoem de voorzetsels.

Ze vond wel vijf knikkers tussen de kussens op de bank.

a)

wel

b)

vijf, tussen

c)

de, de

d)

tussen, op

5.

Benoem de voorzetsels.

Hier had Karlijn al veel vaker naar gezocht.

a)

Hier

b)

al

c)

vaker

d)

naar

6.

Benoem de voorzetsels.

Kees was via de bank naar de stoel geklommen. Toen zijn de knikkers uit zijn broekzak gevallen.

a)

via

b)

naar, uit

c)

via, naar, uit

d)

via, naar

7.

Benoem de voorzetsels.

Door al het geklauter van de kinderen is het meubilair een beetje versleten.

a)

Door, het

b)

Door, van

c)

al, het, het, een

d)

beetje

8.

Benoem de voorzetsels.

Je mag niet op de bank klauteren met je schoenen aan.

a)

niet

b)

op

c)

op, aan

d)

schoenen

9.

Benoem de voorzetsels.

Tijdens het eten zit ik naast de jarige.

a)

Tijdens

b)

het

c)

naast

d)

Tijdens, naast

10.

Benoem de voorzetsels.

Iedereen zong, behalve oom Jan, want hij zingt echt te vals.

a)

Iedereen, behalve

b)

behalve

c)

behalve, te

d)

echt, te

11.

Benoem de voorzetsels.

Mijn oom liep wel in de polonaise van binnen naar buiten.

a)

in, van

b)

binnen, buiten

c)

in, van, naar

d)

in, van, binnen, naar, buiten