wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 8: Leven en werken in het grootrijk

Total questions: 13

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Juist of fout?

De Romeinen waren zowel akkerbouwers als veetelers

a)

Fout, de Romeinen deden voornamelijk aan akkerbouw

b)

Juist

c)

Fout, de Romeinen deden voornamelijk aan veeteelt

2.

Juist of fout?

Landbouw gebeurde enkel op grote landerijen.

a)

Fout, er waren ook kleine bedrijfjes

b)

Juist

c)

Fout, er waren enkel kleine bedrijfjes

3.

Vul aan.

'Het verhaal van de van hekserij beschuldigde boer Gaius Curius Cresimus leert ons dat er in Rome ... waardering was voor de landbouw.'

a)

geen

b)

weinig

c)

veel

4.

Wat veranderde er in de Romeinse economie door de veroveringen?


De mensen in het rijk:

a)

voelden zich onveilig, konden moeilijk van stad naar stad reizen en geraakten moeilijk aan nieuwigheden

b)

voelden zich veilig, konden makkelijk van stad naar stad reizen en geraakten moeilijk aan nieuwigheden

c)

voelden zich veilig, konden moeilijk van stad naar stad reizen en geraakten makkelijk aan nieuwigheden

d)

voelden zich veilig, konden makkelijk van stad naar stad reizen en geraakten makkelijk aan nieuwigheden

5.

Duid het juiste schema aan over de evolutie van de bevolking van de stad Rome

a)
b)
c)
d)
6.

Graan was een product dat veelvuldig werd aangevoerd in het oude Rome. Duid alle juiste beweringen omtrent de aard van het product 'graan' aan.

a)

luxeproduct

b)

basisproduct

c)

afgewerkt product

d)

natuurlijk product

7.

Op welke afbeelding kan je een amfitheater zien?

a)
b)
c)
d)
8.

Op welke afbeelding kan je een Romeinse 'mijlpaal' zien?

a)
b)
c)
d)
9.

Op welke afbeelding(en) kan je een aquaduct zien?

a)
b)
c)
d)
10.

Neem kaart D9 op pagina 145 en duid de juiste antwoorden aan.

Waar haalden de Romeinen leer/huiden?

a)

Phrygië

b)

Brittannië

c)

Egypte

d)

Germanië

11.

Welke beweringen zijn juist?

a)

De Romeinse import was grootschalig

b)

De Romeinse export was grootschalig

c)

Rome kon dankzij de veroveringen goedkoop aan grondstoffen komen

d)

Rome was vooral producent

12.

Welke van de volgende voorbeelden was géén Romeins transportmiddel?

a)

drager

b)

lastdier

c)

fietskoerier

d)

ossenkar

13.

Duid de juiste bewering aan.

a)

Het snelste en duurste transport was over zee

b)

Het snelste en goedkoopste transport was over zee

c)

Het snelste en goedkoopste transport was over land

d)

Het snelste en duurste transport was over land