wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Natuurwetenschappen 1A

Total questions: 37

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Als je iets wil onderzoeken, heb je een onderzoeksvraag nodig. Welk van onderstaande vragen is een goede onderzoeksvraag?

a)

Hoeveel bloemen zijn er op dit moment in bloei?

b)

Een blikje cola light is lichter dan een blikje gewone cola.

c)

Is er water op de maan?

d)

Welke drie soorten bomen staan er in de tuin van onze school?

2.

Welke stelling(en) is/zijn niet juist?

a)

Een hypothese is altijd correct.

b)

Een hypothese heeft altijd te maken met met de onderzoeksvraag.

c)

Om een hypothese te kunnen vormen, moet je niet echt nadenken.

d)

Een hypothese kan je pas formuleren als je het proefje hebt uitgevoerd.

3.

Duid alle uitspraken aan die juist zijn.

a)

Je kiest de benodigdheden voor een proefje aan de hand van de werkwijze.

b)

Een goede werkwijze legt stap voor stap uit wat je moet doen.

c)

Een waarneming is altijd subjectief.

d)

Waarnemen doe je met je zintuigen.

e)

Het besluit geeft een duidelijk antwoord op de onderzoeksvraag en beschrijft ook wat je de volgende keer ander moet doen indien het proefje niet gelukt is.

4.

Op pagina 2 van de bundel bij deze quiz staat een professor. Hoeveel bollen staan er op zijn strik?

a)

8 bollen

b)

10 bollen

c)

11 bollen

d)

13 bollen

5.

Duid het blad aan waarbij de insnijding van de bladrand getand is:

a)
b)
c)
d)
6.

Welk van onderstaande factoren is geen abiotische factor?

a)

temperatuur

b)

lichtsterkte

c)

water

d)

regenworm

7.

Wat zie je hier?

a)

Een consument

b)

Een reducent

c)

Een producent

8.

In de vorige vraag zag je duidelijk twee paddenstoelen, maar hoeveel wormen stonden er op de foto?

a)

Er zijn geen wormen op de foto.

b)

Er is één worm op de foto.

c)

Er zijn drie wormen op de foto.

d)

Er zijn vier wormen op de foto.

9.

Duid alle juiste uitspraken aan

a)

Een voedselpiramide is een ruimtelijke voorstelling van een voedselketen.

b)

Biodiversiteit is de verscheidenheid aan biotopen, organismen en soorten.

c)

We maken zelf ook deel uit van de biodiversiteit.

d)

Hoe groter de biodiversiteit, hoe sterker het ecologisch evenwicht zal zijn.

10.

Wat weet je over een octopus?

a)

Een octopus heeft drie poten en acht harten.

b)

Een octopus heeft acht harten, drie poten en hersenen verspreid over het hele lichaam.

c)

Een octopus heeft drie harten, acht poten en één hersencel per poot.

d)

Een octopus heeft drie harten, drie poten en acht hersencellen.

e)

Een octopus heeft drie harten, acht poten en hersenen verspreid over het hele lichaam.

11.

Hoeveel deeltjes zie je in dit bekerglas?

a)

15

b)

4

c)

3

d)

5

12.

Hoeveel verschillende soorten deeltjes zie je in dit bekerglas?

a)

15

b)

3

c)

4

d)

5

13.

Welke stof(fen) is een/zijn zuivere stoffen?

a)
b)
c)
d)
e)
14.

Welke uitspraken zijn correct?

a)

Wanneer je een gas samendrukt, verkleinen de deeltjes.

b)

Als je stoffen samendrukt, maakt niet uit welke aggregatietoestand ze hebben, dan verandert het aantal deeltjes en de grootte van de deeltjes nooit.

c)

De afstand tussen vloeistofdeeltjes is groter dan de afstand tussen gasdeeltjes.

15.

Hoe bewegen de deeltjes van vaste stoffen ten opzichte van elkaar?

a)

Ze bewegen niet

b)

Ze trillen

c)

Ze bewegen in de ruimte die ze kunnen gebruiken en botsen daardoor tegen elkaar.

16.

Wat hoort bij nummer 1 en 2 op de tekening?

a)

De zon verwarmt het aardoppervlak en het water verdampt en stijgt op.

b)

De zon verwarmt het aardoppervlak en het water condenseert en stijgt op.

c)

De zon verwarmt het aardoppervlak en het water sublimeert en stijgt op.

d)

De zon verwarmt het aardoppervlak en het water desublimeert en stijgt op.

17.

Wat hoort bij 3 en 4 op de tekening?

a)

Waterdamp gaat over in wolken en de wind blaast die wolken weg.

b)

Waterdamp verdampt volledig door de warmte van de zon. De wind vervoert de warmte in de lucht.

c)

Waterdamp gaat over in wolken. De wind zorgt dat de zon verplaatst naar andere plaatsen.

18.

Wat gebeurt er bij 6 en 7?

a)

De wolken smelten en het begint te regenen. Water stroomt van de bergen naar de zee.

b)

De wolken condenseren tot regen. Water stroomt van de bergen naar de zee.

c)

De wolken smelten waardoor er regen ontstaat. De regen stroomt van de bergen naar de zee.

19.

Hoeveel dieren zie je op deze tekening?

a)

7 verschillende

b)

8 verschillende

c)

9 verschillende

d)

10 verschillende

e)

11 verschillende

20.

Je kreeg een filmpje genaamd: 'Little People - City Racebaan'. Van welke energievorm is dit een toepassing?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Potentiële energie

d)

Chemische energie

21.

Welke energieomzettingen zag je in het filmpje van de zwemmer?

a)

Chemische energie --> thermische energie

b)

Chemische energie --> kinetische energie

c)

Thermische energie --> kinetische energie

d)

Kinetische energie --> elektrische energie

e)

Chemische energie --> potentiële energie

22.

In het filmpje van de zwemmer zag je de man schoolslag zwemmen. Hoeveel keer kwam hij in het filmpje boven water om te ademen? (Een gokje wagen is toegestaan..)

a)

5 keer

b)

6 keer

c)

7 keer

d)

8 keer

23.

Hoe is een organisme opgebouwd?

a)

organisme-stelsel-orgaan-cel-weefsel

b)

organisme-orgaan-weefsel-cel-stelsel

c)

organisme-orgaan-stelsel-weefsel-cel

d)

organisme-stelsel-orgaan-weefsel-cel

24.

Welk onderdeel van de cel is dit?

a)

Celkern

b)

Vacuole

c)

Mitochondrie

25.

Dit zijn mitochondriën. Wat is de functie van deze deeltjes?

a)

Ze zorgen voor de stevigheid van de cel en geven vorm aan de cel.

b)

Ze geven de plant een groene kleur.

c)

Ze zorgen voor energie voor de cel.

d)

Ze regelen de werking van de cel.

26.

Je hoorde het favoriete liedje van mevrouw Van der Zalm, maar dan nu als 'coronaversie'. Op het filmpje heb je in de rechterbenedenhoek een een letter staan. Welke letter?

a)

S

b)

M

c)

T

d)

F

e)

P

27.

Waarin zit het meest suiker?

a)
b)
c)
d)
e)
28.

Waarin zitten de meeste vetten?

a)
b)
c)
d)
e)
29.

Wat zorgt het meest voor onze lichaamsgroei?

a)
b)
c)
d)
e)
30.

Welke leerkracht natuurwetenschappen is het grootst?

a)

Mevrouw Van der Zalm

b)

Mevrouw Vandenberghe

c)

Meneer Vispoel

d)

Meneer Vandenbroucke

31.

De vorige vraag was gemakkelijk. Nu iets moeilijker: welke leerkracht natuurwetenschappen van de eerste graad is het kleinst?

a)

Mevrouw Van der Zalm

b)

Mevrouw Vandenberghe

c)

Meneer Vandenbroucke

d)

Meneer Vispoel

32.

Welk(e) deel/delen behoort/behoren tot het spijsverteringsstelsel?

a)

Mondholte

b)

Maag

c)

Dunne darm

d)

Appendix

e)

Aars

33.

Welk orgaan is op deze afbeelding aangeduid in het rood?

a)

De maag

b)

De alvleesklier

c)

De lever

d)

De rechterlong

34.

Duid de tand aan die helpt bij het afbijten van hard voedsel:

a)
b)
c)
35.

Jullie zien hier allemaal mensen die aan het zonnen zijn. Enkelen van hen smeren zich in met zonnecrème. Tegen welke soort straling van de zon beschermen deze mensen zich?

a)

Radio-actieve straling

b)

X-straling

c)

UV-straling

d)

Zichtbaar licht

36.

Jullie kennen dit spelletje wel.. Maar, je moet niet op zoek gaan naar Wally, wel naar de hond. In welk vak vind je de hond?

a)

Links boven

b)

Links onder

c)

Rechts boven

d)

Recht onder

37.

Duid de kameel aan.

a)
b)