wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bijvoeglijk naamwoord

Total questions: 40

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.
Het snelle konijn werd niet gevangen.
a)
snelle
b)
konijn
c)
werd
d)
gevangen
2.
Daarom wil ik het tamme konijn kopen.
a)
wil
b)
ik
c)
tamme
d)
konijn
3.
Zijn grijze haar had krullen.
a)
zijn
b)
grijze
c)
haar
d)
krullen
4.

Een 4 keer 4 auto heeft beter grip op gladde wegen.

a)

4 keer 4 en wegen

b)

beter en gladde

c)

4 keer 4 en gladde

d)

heeft en wegen

5.

De atmosfeer laat alleen de nuttige energie door.

a)

atmosfeer

b)

laat

c)

alleen

d)

nuttige

6.

Oudere mensen zijn vaak minder snel en hun zicht is minder geworden.

a)

oudere en vaak

b)

oudere en minder

c)

zicht en minder

d)

oudere en geworden

7.

Een blauwe vinvis weegt evenveel als dertig olifanten.

a)

blauwe en dertig

b)

weegt en evenveel

c)

evenveel en dertig

d)

weegt en olifanten

8.

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een ...

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

9.

De Weddellzeehond heeft gewone tanden.

a)

Weddellzeehond

b)

heeft

c)

gewone

d)

tanden

10.

Daarna hoor je een harde knal.

a)

daarna

b)

hoor

c)

harde

d)

knal

11.

Op straat afval achterlaten is in vele landen verboden.

a)

afval

b)

achterlaten

c)

vele

d)

verboden

12.

Mercurius is de kleinste planeet in het zonnestelsel.

a)

Mercurius

b)

kleinste

c)

planeet

d)

zonnestelsel

13.

De pantografen geven de elektrische energie door aan het motorblok.

a)

pantografen

b)

elektrische

c)

energie

d)

motorblok

14.

Het vliegtuig is uitgerust met de modernste technologie.

a)

vliegtuig

b)

uitgerust

c)

modernste

d)

technologie

15.

De agressiefste pinguïn is de rotspinguïn.

a)

agressiefste

b)

pinguïn

c)

is

d)

rotspinguïn

16.

Zuurstofrijk bloed verlaat het bloed via de aorta.

a)

Zuurstofrijk

b)

bloed

c)

verlaat

d)

via

17.

Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft een groot gewei.

a)

mannetje

b)

vrouwtje

c)

groot

d)

gewei

18.

Veel gecamoufleerde dieren weten zich ook heel stil te houden.

a)

Veel

b)

stil

c)

dieren

d)

gecamoufleerde

19.

Besmettelijke ziektes zijn soms gevaarlijk.

a)

Besmettelijke

b)

ziektes

c)

soms

d)

gevaarlijk

20.

Zij kreeg de (goud) .................... ketting van oma.

a)

goude

b)

gouden

c)

goud

21.

Mijn broer kocht een (ovaal) .................. tafel.

a)

ovaal

b)

ovale

c)

ovalen

22.

Ik koop vijfentwintig (plastic) ...................... bekers.

a)

plastice

b)

plasticen

c)

plastic

23.
Een (mooi) ..................... jas.
a)
mooie
b)
mooi
c)
mooien
24.
Het (papier) ............... huisje
a)
papiere
b)
papier
c)
papieren
25.
Een (staal) ............ huisje.
a)
stale
b)
staal
c)
stalen
26.
Het (leuk) ...................... bootje.
a)
leuke
b)
leuk
c)
leuken
27.
Een (groen) ................... boom.
a)
groene
b)
groen
c)
groenen
28.
Het (vies) ................ haar.
a)
viese
b)
vieze
c)
vies
d)
viesen
29.
De (blauw) .................. jas.
a)
blauwe
b)
blauw
c)
blauwen
30.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

31.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

32.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

33.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'kostte'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

34.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'blauwe'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

35.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

36.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'leeuw'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

37.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'moet'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

38.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'verbaasde'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

39.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'tegenstanders'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

40.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord