wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenkaart 5 en 6 (module 5)

Total questions: 20

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

De meest geschikte omgeving met de beste omstandigheden voor een dier, noem je een ....

a)

Bioscoot

b)

Organisme

c)

Leefomgeving

d)

Biotoop

2.

Licht is een voorbeeld van een .... factor

a)

Biotische

b)

Abiotische

3.

Bodem is een voorbeeld van een .... factor.

a)

Biotische

b)

Abiotische

4.

Water is een voorbeeld van een ... factor.

a)

Biotische

b)

Abiotische

5.

Gras is een voorbeeld van een ... factor.

a)

Biotische

b)

Abiotische

6.

Waarom is het belangrijk dat een dier zich aanpast aan zijn omgeving?

a)

Omdat hij het dan warmer heeft.

b)

Omdat hij dan het beste kan overleven.

c)

Omdat hij dan meer kan eten.

d)

Omdat hij dan beter kan ademen.

7.

Alleen bij dieren komt isoleren voor.

a)

Juist

b)

Niet juist

8.

Stilstaande lucht zorgt ervoor dat warmte goed geleid.

a)

Juist

b)

Niet juist

9.

Het menselijk lichaam heeft bepaalde manieren ontwikkeld, zodat ze het niet te koud krijgt. Een voorbeeld is...

a)

Tanden klapperen

b)

Rillen

c)

Kippenvel

d)

Kleren aandoen

10.

Ik eet alleen maar planten, ik ben een ....

a)

Herbivoor

b)

Omnivoor

c)

Carnivoor

11.

Ik eet alleen maar dieren, ik ben een ...

a)

Carnivoor

b)

Herbivoor

c)

Omnivoor

12.

Mensen zijn van oorsprong...

a)

Herbivoor

b)

Omnivoor

c)

Carnivoor

13.

Hier zie je een plooikies. Die zorgt ervoor dat het voedsel goed wordt gemalen. Die kiezen horen bij:

a)

Omnivoren

b)

Carnivoren

c)

Herbivoren

14.

Hier zie je een snijkies/knipkies. Deze kiezen horen bij .... Ze helpen namelijk om het prooi te verscheuren.

a)

Herbivoor

b)

Omnivoor

c)

Carnivoor

15.

De mens loopt plat op de voeten en noem je ook wel:

a)

Zoolganger

b)

Topganger

c)

Teenganger

16.

Een cheetah haalt binnen 3 seconden een snelheid van 100 km per uur. Het is een echte sprinter. Hoe noem je die sprinters?

a)

Topganger

b)

Zoolganger

c)

Teenganger

17.

De lepelaar heeft een snavel in de vorm van een lepel. Waar zal hij zijn eten vandaan halen?

a)

Hij eet zaadjes uit een plant.

b)

Hij lepelt voedsel uit het water.

c)

Hij eet insecten uit bomen.

d)

Hij eet wormpjes uit de aarde.

18.

Een hond houd zich warm door zijn vacht en verliest warmte door te hijgen. Je noemt het dier ook wel ...

a)

Warmbloedig

b)

Koudbloedig

19.

De temperatuur van een salamander wordt aangepast aan de omgeving. Hij kan niet in een te koude omgeving leven, want dan bevriest hij als het ware. Je noemt het dier:

a)

Koudbloedig

b)

Warmbloedig

20.

Voor welk dier is dit een geschikte biotoop?

a)

Giraffe

b)

Vlinder

c)

Berggeit

d)

Orang oetang