wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Theorie leesvaardigheid klas 1

Total questions: 15

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Als je in één of enkele woorden vertelt waar de tekst over gaat, noem je dat ....... van een tekst.

a)

de hoofdgedachte

b)

het onderwerp

c)

de bron

d)

de inleiding

2.

De bron van een tekst vind je ....

a)

bovenaan de tekst

b)

in de inleiding van de tekst

c)

onderaan de tekst

d)

in de tussenkopjes

3.

Als je snel de deelonderwerpen in de tekst wilt vinden, kun je de tekst het best ....

a)

oriënterend lezen

b)

precies lezen

c)

globaal lezen

d)

niet lezen

4.

Wanneer een schrijver de lezer vooral wil vermaken met zijn/haar tekst, noemen we het tekstdoel ook wel ...

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

5.

'Een zin die samenvat wat er in de tekst over het onderwerp gezegd wordt'. Dit is .... van de tekst.

a)

het onderwerp

b)

een samenvatting

c)

de hoofdgedachte

d)

de rode draad

6.

Welk signaalwoord past bij een chronologisch tekstverband?

a)

vervolgens

b)

ook

c)

echter

d)

bijvoorbeeld

7.

Een nieuwsbericht heeft meestal als tekstdoel...

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

activeren

8.

"Ik vind Nederlands leuk, maar soms wel erg moeilijk." In deze zin is sprake van een ....

a)

opsommend verband

b)

chronologisch verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

9.

Het onderwerp van de tekst kun je meestal vinden in ... van de tekst.

a)

de inleiding

b)

het middenstuk

c)

het slot

d)

de bron

10.

In welke zin is er sprake van een toelichtend verband?

a)

Jan had vandaag eerst wiskunde, daarna Frans en tenslotte geschiedenis.

b)

Hij houdt van balsporten als voetbal, hockey en volleybal.

c)

Vroeger luisterde hij graag popmuziek, tegenwoordig houdt hij echter meer van rock.

d)

Ik vind de beoordeling niet eerlijk, omdat vooraf niet duidelijk was wat er van ons verwacht werd.

11.

'De schrijver wil de lezer aansporen om lid te worden van de vereniging.' Welk doel heeft de schrijver met zijn tekst?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

activeren

12.

Welk signaalwoord past bij een opsommend tekstverband?

a)

hoewel

b)

en

c)

daarentegen

d)

tenslotte

13.

Welke tekstsoort past het best bij het tekstdoel amuseren?

a)

stripboek

b)

schoolboek

c)

gebruiksaanwijzing

d)

advertentie

14.

De signaalwoorden "bijvoorbeeld, zoals, zo, neem nou, denk aan" passen bij een ...

a)

chronologisch tekstverband

b)

opsommend tekstverband

c)

tegenstellend tekstverband

d)

toelichtend tekstverband

15.

Wat hoort niet bij oriënterd lezen?

a)

de titel bekijken

b)

de eerste alinea lezen

c)

de tussenkopjes bekijken

d)

de eerste en laatste zin van elke alinea lezen