wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 Economische Crisis (H5-H6)

Total questions: 11

Worksheet time: 55mins

Name
Class
Date
1.

De bijgevoegde afbeelding toont de ontwikkeling van de geldhoeveelheid (rood) en de inflatie (blauw) in Portugal. In 2009 en 2010 is er sprake van deflatie en daalt de (groei van de) geldhoeveelheid. Selecteer hieronder de juiste (mogelijke) verklaringen voor het verband tussen deflatie en de afgenomen (groei van de) geldhoeveelheid.

a)

Bij deflatie wordt het minder aantrekkelijk om te lenen omdat reële schulden stijgen. Huishoudens lenen daardoor minder geld waardoor M minder hard stijgt.

b)

Als het prijspeil daalt is er voor hetzelfde aantal transacties minder geld nodig en krimpt de transactievraag.

c)

Bij deflatie stijgt de reële (spaar)rente en wordt het aantrekkelijker om te sparen waardoor de geldhoeveelheid krimpt.

d)

Gezinnen stellen bij deflatie hun aankopen uit en potten daarom geld op. Omdat opgepot geld niet bij de geldhoeveelheid hoort krimpt de geldhoeveelheid.

2.

De bijgevoegde afbeelding toont de ontwikkeling van de geldhoeveelheid (rood) en de inflatie (blauw) in Portugal. In het begin van 2009 stijgt de geldhoeveelheid sterk, maar neemt de inflatie af. Wat kan die ontwikkelingen volgens de verkeersvergelijking van Fisher verkaren?

a)

De omloopsnelheid (V) is gedaald.

b)

De reële productie (Yr) was in 2009 gelijk aan de productiecapaciteit (Yr*).

3.

Volgens de Klassieke interpretatie van de verkeersvergelijking van Fisher leidt een toename van de geldhoeveelheid louter tot inflatie (a). De enige taak van de CB is het verhogen van de geldhoeveelheid zodra de productiecapaciteit toeneemt (b). Welke begrippen horen bij (a) en (b)?

a)

a = neutraliteit van geld, b = geldgroeiregel

b)

a = overbestedingen, b = monetair faciliteren

c)

a = neutraliteit van geld, b = monetair faciliteren

d)

a = overbestedingen, b = geldgroeiregel

4.

Een Europees land zit in 2016 in een liquiditeitsval waardoor huishoudens onzeker worden en geld gaan oppotten. Krapgeldbeleid heeft dan nauwelijks nog effect op de reële economie. Met hoeveel procent neemt de omloopsnelheid in 2016 af ten opzichte van 2015?

a)

0,85%

b)

9%

c)

10%

d)

11,77%

5.

De Europese Centrale Bank (ECB) haalt na de eurocrisis alles uit de kast om de inflatie in de eurozone op het streefniveau te krijgen. Waarom lukt dat op een gegeven moment niet? Selecteer de juiste verklaringen.

a)

Huishoudens zijn na een schuldencrisis huiverig om nieuwe schulden aan te gaan, ook als dit door de ECB aantrekkelijk(er) is gemaakt.

b)

Doordat de spaarrente extreem laag is gaan huishoudens in veel gevallen niet minder, maar meer sparen om vermogen op te kunnen bouwen.

c)

De herfinancieringsrente kent een nulondergrens: zodra die is bereikt is heeft de ECB geen middelen meer om de inflatie op te krikken.

6.

De bijgevoegde afbeelding toont de inflatie (verticale as) en de werkloosheid (horizontale as) in de VS tussen 1954 en 1978. Tussen 1974 en 1977 is er sprake van een crisis. Wat is de oorzaak van die crisis?

a)

Negatieve vraagschok

b)

Negatieve aanbodschok

c)

Positieve vraagschok

d)

Positieve aanbodschok

7.

De bijgevoegde afbeelding toont de inflatie (verticale as) en de werkloosheid (horizontale as) in de VS tussen 1954 en 1978. In 1974 lopen de inflatie en de werkloosheid op door een negatieve aanbodschok. Welke economische term hoort bij deze ontwikkeling?

a)

Recessie

b)

Overspanning

c)

Stagflatie

d)

Oliecrisis

8.

Bijgevoegd een positieve vraagschok in het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel. Welke van de onderstaande zaken doen zich niet voor in de reële economie bij een positieve vraagschok?

a)

Positieve outputgap

b)

Krappe arbeidsmarkt

c)

Kosteninflatie

d)

Conjuncturele werkloosheid

9.

Bijgevoegd het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel bij een positieve vraagschok. Wat kunnen beleidsbepalers volgens Keynes doen om het evenwicht te herstellen? Selecteer de opties die juist zijn.

a)

De arbeidsmarkt flexibliseren

b)

Krapgeldbeleid

c)

Kwantitatieve verruiming

d)

Bezuinigen op de overheidsuitgaven

10.

Bijgevoegd een model met een Keynesiaanse GA-curve. Wat kun je zeggen over de productie in het evenwicht met V1?

a)

De productie is lager dan de normale bezetting van de productiecapaciteit.

b)

De productie is hoger dan de normale bezetting van de productiecapaciteit, maar lager dan de maximale ouput.

c)

De productie is gelijk aan de maximale output.

11.

Bijgevoegd een model met een Keyensiaanse GA-curve. Hierover een tweetal uitspraken:

I: De verschuiving van V1 naar V2 kan het gevolg zijn van een belastingverlaging.

II: De toegenomen bestedingen bij de verschuiving van V1 naar V2 leiden tot minder werkloosheid en meer inflatie.

Welke uitspraak / uitspraken is / zijn juist?

a)

Uitspraak I is juist, uitspraak II is onjuist.

b)

Uitspraak I is onjuist, uitspraak I is juist.

c)

Beide uitspraken zijn juist.

d)

Beide uitspraken zijn onjuist.