wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De kleren - les vêtements

Total questions: 24

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat is dat ?

a)

Dat is een broek.

b)

Dat is een hemd.

c)

Dat is een jas.

d)

Dat zijn schoenen.

2.

Wat is dat ?

a)

Dat is een hoed.

b)

Dat is een broek.

c)

Dat is een trui.

d)

Dat zijn sokken.

3.

Wat is dat ?

a)

Dat is een hoed.

b)

Dat is een hemd.

c)

Dat is een riem.

d)

Dat zijn laarzen.

4.

Wat is dat ?

a)

Dat is een t-shirt.

b)

Dat is een sjaal.

c)

Dat is een trui.

d)

Dat is een riem.

5.

Wat is dat ?

a)

Dat is een jurk.

b)

Dat is een rok.

c)

Dat is een broek.

d)

Dat is een trui.

6.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn sokken.

b)

Dat is een hoed.

c)

Dat is een bril.

d)

Dat is een zwembroek.

7.

Wat is dat ?

a)

Dat is een jurk.

b)

Dat is een rok.

c)

Dat is een trui.

d)

Dat is een jas.

8.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn sokken.

b)

Dat zijn laarzen.

c)

Dat is een jean.

d)

Dat zijn schoenen.

9.

Wat is dat ?

a)

Dat is een broek.

b)

Dat is een trui.

c)

Dat is een mantel.

d)

Dat is een hemd.

10.

Wat is dat ?

a)

Dat is een hoed.

b)

Dat is een pet.

c)

Dat is een riem.

d)

Dat is een muts.

11.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn sokken.

b)

Dat zijn sportschoenen.

c)

Dat zijn zonnebrillen.

d)

Dat zijn laarzen.

12.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn kleren.

b)

Dat zijn schoenen.

c)

Dat zijn handschoenen.

d)

Dat zijn sokken.

13.

Wat draagt (porte) hij ?

a)

Ze draagt een blauwe broek en bruine schoenen.

b)

Hij draagt een rok en sandalen.

c)

Hij draagt een blauwe broek en bruine schoenen.

d)

Hij draagt een short en een t-shirt.

14.

Wat is dat ?

a)

Dat is een hoed.

b)

Dat is een blauwe pet.

c)

Dat is een blauwe muts.

d)

Dat is een witte pet.

15.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn schoenen.

b)

Dat is een jas.

c)

Dat zijn sportschoenen.

d)

Dat zijn handschoenen.

16.

Wat is dat ?

a)

Dat is een écharpe.

b)

Dat is een hoed.

c)

Dat is een riem.

d)

Dat is een sjaal.

17.

Ze draagt een hemd, een jean, sokken, sportschoenen en een muts.

a)
b)
c)
d)
18.

Deze man draagt ...

a)

een t-shirt.

b)

een jas.

c)

een hemd.

d)

een trui.

19.

Quels vêtements peux-tu mettre sur ta tête l'été pour te protéger du soleil ?

a)

een hoed

b)

een short

c)

een pet

d)

een t-shirt

20.

Lequel des vêtements suivants est vraiment utile l'hiver lorsqu'il fait plus froid ?

a)

een t-shirt

b)

een mantel

c)

een riem

d)

een hemd

21.

Lequel de ces vêtements n'est pas vraiment utile pour la plage ?

a)

een bikini

b)

sandalen

c)

een pet

d)

een mantel

22.

Ze draagt een zwart t-shirt, een blauw short en zwarte sportschoenen.

a)
b)
c)
23.

Hij draagt een zwarte jas, een zwarte muts, een grijs t-shirt, een jean en witte sportschoenen.

a)
b)
c)
24.

Ze draagt een wit t-shirt, een roze rok en zwarte schoenen.

a)
b)
c)