wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bodem en Teelt - Module 4, 5 en 6

Total questions: 70

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Welke bewerkingen horen tot de niet-kerende-grondbewerkingen?

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

ploegen

b)

spitten

c)

woelen

d)

cultivateren

2.

Wat zijn voordelen van spitten ten opzichte van ploegen

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

Er is minder last van versmering

b)

Er zijn vast rijpaden

c)

Er ontstaan geen voren

d)

Ook bij zeer natte omstandigheden mogelijk

3.

Geploegde grond is in het voorjaar sneller opgewarmd dan niet-geploegde grond.

a)

Juist

b)

Niet juist

4.

Om welke redenen zou ploegen of spitten kunnen worden ingezet?

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

stimuleren bodemleven

b)

openbreken storende lagen

c)

onderwerken gewasresten/groenbemesters/mest

d)

verkruimeling in winterperiode stimuleren

e)

tegengaan omzetting organische stof

5.

Hoe heet het rood omrande deel van de ploeg?

a)

rister

b)

mes

c)

zool

d)

couter

6.

Wat is een goed uitgangspunt voor ploegen?

a)

Zo diep als nodig en zo ondiep als mogelijk

b)

Zo diep als mogelijk en zo ondiep als nodig

c)

Zo diep als mogelijk en nodig

7.

Wat ontstaat er door wielslip bij het ploegen?

a)

versmering

b)

verdichting

c)

verstuiving

d)

erosie

e)

keileem

8.

Verdichting op grotere diepte kan met name ontstaan door ...

a)

ploegen

b)

bovenover ploegen

c)

spitten

d)

cultivateren

9.

Wat zijn nadelen van spitten ten opzichte van ploegen?

a)

onkruiden blijven in de toplaag

b)

ontstaan van voren

c)

het moet droger zijn om het uit te voeren

10.

Cultivateren is een kerende-grondbewerking

a)

Juist

b)

Niet juist

11.

NGK staat voor

a)

stikstof-fosfor-kalium

b)

niet-kerende-grondbewerking

c)

Nederlandse grond kwaliteit

d)

niet gekorreld kunstmest

12.

Wat vergroot de kans op bodemverdichting? (kies er drie)

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Werken onder te natte omstandigheden

b)

Werken met te hoge bandenspanning

c)

Werken met te hoge rijsnelheden

d)

Werken met een op diep wortelende gewas

e)

Werken op uitgedroogd bovenlaag

13.

Een verdichte grond is in het voorjaar ......

a)

eerder droog

b)

later droog

c)

eerder opgewarmd

d)

later opgewarmd

14.

1 cm meer insporing resulteert in circa ...

a)

10% hoger brandstofverbruik

b)

1% hoger brandstofverbruik

c)

5% hoger brandstofverbruik

d)

geen hoger brandstofverbruik

15.

Op het plaatje staat een .....

a)

radiaalband

b)

diagonaalband

c)

omloopband

16.

Welke banden kun je het beste gebruiken als de grond vrij vochtig is en de draagkracht laag is?

a)

radiaalband met lage bandenspanning

b)

diagonaalband met lage bandenspanning

c)

radiaalband met hoge bandenspanning

d)

diagonaalband met hoge bandenspanning

17.

Wat is juist als de drainagebuizen water afvoeren?

a)

De grondwaterstand is op een gedraineerd perceel overal even hoog.

b)

De grondwaterstand is het hoogst tussen twee drainagebuizen.

c)

De grondwaterstand is het laagst tussen twee drainagebuizen.

18.

Welke uitspraak over drainage is juist?

a)

In zandgrond leg je drainagebuizen meestal dichter bij elkaar dan in kleigrond.

b)

Hoe dieper in de grond, hoe verder de buizen uit elkaar gelegd kunnen worden.

c)

Drainagebuizen moeten minstens 80 cm diep liggen en niet ondieper.

19.

Jaarlijks diepwoelen verbetert de bodemstructuur en de draagkracht op een perceel.

a)

Juist

b)

Niet juist

20.

Op een akker geven de rijen naast lege rijpaden een lagere opbrengst.

a)

Juist

b)

Niet juist

21.

Vanwege de klimaatverandering gaat men steeds dieper draineren.

a)

Juist

b)

Niet juist

22.

Door klimaatverandering komen er in Nederland .....

a)

meer extreem droge perioden en meer extreem natte perioden

b)

minder extreem droge perioden en meer extreem natte perioden

c)

meer extreem droge perioden en minder extreem natte perioden

d)

minder extreem droge perioden en minder extreem natte perioden

23.

Met C wordt aangegeven

a)

Beschikbaar water voor de plant

b)

Verwelkingspunt

c)

Veldcapaciteit van de grond

d)

Zuigspanning van de grond

24.

De lijn A is van een ......

a)

zandgrond

b)

lössgrond

c)

kleigrond

d)

veengrond

25.

Wat verbetert de beschikbaarheid van water voor de plant?

Kies er 3.

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

capillair water in de wortelzone

b)

diepere beworteling

c)

meer organische stof in de toplaag

d)

grote uitspoeling

e)

tonrondte van het perceel

26.
Het symbool N staat voor:
a)
stikstof
b)
fosfor
c)
kalium
d)
zwavel
e)
calcium
27.
Het symbool P staat voor:
a)
stikstof
b)
fosfor
c)
kalium
d)
calcium
e)
magnesium
28.
Het symbool S staat voor:
a)
stikstof
b)
fosfor
c)
kalium
d)
zwavel
e)
magnesium
29.
Het symbool K staat voor:
a)
stikstof
b)
fosfor
c)
kalium
d)
calcium
e)
magnesium
30.
Het symbool Mg staat voor:
a)
stikstof
b)
calcium
c)
kalium
d)
zwavel
e)
magnesium
31.
Het symbool Ca staat voor:
a)
calcium
b)
fosfor
c)
kalium
d)
zwavel
e)
magnesium
32.
Stikstof heeft het symbool:
a)
N
b)
St
c)
K
d)
S
e)
P
33.
Fosfor heeft het symbool:
a)
N
b)
P
c)
F
d)
Ca
e)
Fo
34.

Zwavel heeft het symbool:

a)

N

b)

Zw

c)

Z

d)

S

e)

Mg

35.
Kalium heeft het symbool:
a)
N
b)
P
c)
K
d)
Ca
e)
Mg
36.
Magnesium heeft het symbool:
a)
N
b)
Ca
c)
K
d)
S
e)
Mg
37.
Calcium heeft het symbool:
a)
Ca
b)
C
c)
K
d)
Cl
e)
Ka
38.

Paarsige of rode bladeren kunnen duiden op:

a)

fosforgebrek

b)

stikstofgebrek

c)

kaliumgebrek

d)

magnesiumgebrek

39.

Kleine gelige planten kunnen duiden op:

a)

fosforgebrek

b)

stikstofgebrek

c)

kaliumgebrek

d)

magnesiumgebrek

40.

Blauw/brons verkleuring en afsterven van bladranden kunnen duiden op:

a)

fosforgebrek

b)

stikstofgebrek

c)

kaliumgebrek

d)

magnesiumgebrek

41.

Oudere bladeren worden geel tussen de nerven kan duiden op:

a)

fosforgebrek

b)

stikstofgebrek

c)

kaliumgebrek

d)

magnesiumgebrek

42.
Welke deeltje kunnen het beste voedingsstoffen aan zich binden?
a)
lutumdeeltjes
b)
siltdeeltjes
c)
zanddeeltjes
d)
grinddeeljes
43.

Voedingsstoffen komen in de grond door:

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

bemesten

b)

uitspoelen

c)

neerslag

d)

gewasresten onderploegen

e)

gassen uit de grond

44.

Voedingsstoffen verdwijnen uit de grond door:

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

uitspoelen

b)

neerslag

c)

gewassen

d)

gassen uit de grond

e)

gewasresten onderploegen

45.

Welke grond heeft (van nature) een hoog organische stofgehalte?

a)

zand

b)

zeeklei

c)

veen

46.

In een grondverslag staat deze afbeelding.

Wat betekent de blauwe stip?

a)

De situatie waar de landbouwer naar streeft

b)

De huidige situatie in het perceel

c)

De minimale hoeveelheid kalk in een perceel

d)

De maximale hoeveelheid kalk in een perceel

47.

In een grondverslag staat deze afbeelding.

Hoe heet deze afbeelding en wat kun je daaruit aflezen?

a)

De volumecurve, hoeveel water er in de bodem zit.

b)

De waterretentiecurve, hoeveel water er beschikbaar is voor de plant.

c)

De CEC-verhouding, hoe de bodemstructuur is.

d)

De textuurdriehoek, welke grondsoort het perceel heeft.

48.

In een grondverslag staat deze afbeelding.

Hoe heet deze afbeelding en wat kun je daaruit aflezen?

a)

De volumecurve, hoeveel water er in de bodem zit.

b)

De waterretentiecurve, hoeveel water er beschikbaar is voor de plant.

c)

De CEC-verhouding, hoe de bodemstructuur is.

d)

De textuurdriehoek, welke grondsoort het perceel heeft.

49.

Voor een bemestingsplan moet je elk jaar grondonderzoek doen.

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Als je het organische stofgehalte van een perceel kent kun je beter inschatten wat het effect is van een bemesting.

a)

Juist

b)

Onjuist

51.

Met OS-balans bedoelen we:

a)

De hoeveelheid organische stof die je opbrengt min de hoeveelheid die jaarlijks verdwijnt/wordt omgezet.

b)

Hetzelfde als met mineralenbalans.

c)

De hoeveelheid mest die je opbrengt min de hoeveelheid die jaarlijks verdwijnt/wordt omgezet.

52.

In een bodemanalyse staat deze afbeelding. Als de akkerbouwer de hoeveelheid P wil ophogen van 290 naar 355, hoeveel moet hij dan aanvoeren?

a)

65 kg fosfaat per hectare

b)

65 gram fosfaat per hectare

c)

65 kg fosfaat per perceel

d)

65 gram per perceel

53.

Je voert dit jaar 600 kg/ha eos (effectieve organische stof) aan via bemesting. Er verdwijnt 1200 kg/ha eos door het bodemleven.

Wat moet je doen om de organische stof in dit perceel gelijk te houden?

a)

Groenbemesters telen die 600 kg/ha organische stof aanvoeren.

b)

Groenbemesters telen die 600 kg/ha effectieve organische stof aanvoeren.

c)

1.200 kg/ha compost opbrengen.

d)

Niet bemesten of afvoeren, de organische stof is in balans.

54.

Hoeveel organische stof gaat op dit perceel in een jaar verloren door mineralisatie en opname door het gewas?

a)

3110 kg/ha

b)

1525 kg/ha

c)

1585 kg/ha

d)

96520 kg/ha

55.

Een grond heeft 10% klei-delen (lutum), 30% zanddelen en 60% siltdelen.

Hoe heeft deze grond?

a)

zandige leem

b)

lemig zand

c)

zavel

d)

siltig leem

e)

lichte klei

56.

Hoe komt organische stof in de bodem?

a)

gewasresten onderploegen

b)

neerslag

c)

organische bemesting

d)

kunstmest

e)

groenbemesters onderploegen

57.

In een goed bemestingsplan wordt de maximale hoeveelheid mest volgens de wet opgebracht.

a)

Juist

b)

Onjuist

58.

Voor een goed bemestingsplan moet je weten welk gewas je gaat telen.

a)

Waar

b)

Niet waar

59.

Als je een gewas bemest met stikstof dan maakt het voor de plant geen verschil of je stikstof in de vorm van drijfmest of kunstmest geeft.

a)

Juist

b)

Onjuist

60.

Je wilt het organische stofgehalte boven de 3,3% krijgen. Hoeveel effectieve organische stof moet je opbrengen door bemesting en groenbemester?

a)

meer dan 1895 kg/ha

b)

meer dan 1025 kg/ha

c)

meer dan 2920 kg/ha

d)

minder dan 1025 kg/ha

61.

Loonwerker Groot moet 200 kg stikstof (N) per hectare toedienen. Hij gebruikt KAS met 25% stikstof.

Hoeveel moet hij strooien op 1 hectare?

a)

800 kg KAS

b)

50 kg KAS

c)

200 kg KAS

d)

225 kg KAS

62.

Stel kalkammonsalpeter (KAS) met 25% stikstof kost 28 euro per 100 kilo.

Wat is dan de kostprijs per kilogram stikstof?

a)

112 cent per kilo stikstof

b)

7 cent per kilo stikstof

c)

25 cent per kilo stikstof

d)

28 cent per kilo stikstof

63.

1 ton drijfmest bevat 8,0 kilo stikstof.

De werkingscoëfficiënt van deze drijfmest is 50%.

Hoeveel werkzame stikstof bevat deze drijfmest per ton?

a)

8,0 kg

b)

16,0 kg

c)

4,0 kg

d)

50 kg

64.

De werkingscoëfficiënt van zuiveringsslib is 40% en van compost 10%.

Wat betekent dit verschil?

a)

De nutriënten van slib komen sneller beschikbaar voor het gewas dan van compost.

b)

Compost heeft veel minder nutriënten dan zuiveringsslib.

c)

De nutriënten van slib komen langzamer beschikbaar voor het gewas dan van compost.

65.

Als er teveel nitraat naar het grondwater uitspoelt dan is dat water niet meer te gebruiken voor winning van drinkwater.

a)

Waar

b)

Niet waar

66.

Wat is het risico als nitraten en fosfaten uitspoelen naar het grondwater en oppervlaktewater?

a)

Nitraten en fosfaten dienen als voeding voor vissen en ander dierlijk waterleven maar ze zijn giftig voor planten.

Daardoor gaat het waterleven dood.

b)

Nitraten en fosfaten binden zuurstof uit het water.

Daardoor blijft er te weinig zuurstof over voor vissen en ander waterleven.

c)

Nitraten en fosfaten in het oppervlaktewater zijn een voedingsstof voor algen. In water met veel algen blijft te weinig licht en zuurstof over voor vissen en ander waterleven.

67.

In de meststoffenwet staan regels voor de maximale hoeveelheid stikstof en fosfaat die per hectare gebruikt mogen worden.

a)

Juist

b)

Onjuist

68.

Drijfmest mag meestal niet in de winter worden uitgereden. Waarom is dat?

Kruis de 2 juiste redenen aan.

a)

Wanneer er groenbemesters op het perceel staan mag er nooit drijfmest worden uitgereden.

b)

In de winter mag er nooit op de landbouwpercelen worden gereden.

c)

Als er geen gewas op het veld staat spoelt de mest uit naar het grondwater.

d)

In de winter wordt de mest niet omgezet in stoffen die planten kunnen opnemen.

69.

Je voert dit jaar via de gewasresten 800 kg/ha eos aan. Via groenbemester voer je 600 kg/ha aan.

Er verdwijnt 1600 kg/ha door het bodemleven. Wat moet je doen om de organische stof in dit perceel gelijk te houden?

a)

Niet bemesten of afvoeren, de organische stof is in balans.

b)

Groenbemester afvoeren zodat er 200 kg/ha extra organische stof wordt afgevoerd.

c)

Bemesten zodat er 200 kg/ha extra organische stof wordt aangevoerd.

70.

De werkingscoëfficiënt van compost is 10%.

Wat betekent dit?

a)

De nutriënten in compost komen heel langzaam beschikbaar voor het gewas.

b)

De nutriënten in compost komen heel snel beschikbaar voor het gewas.

c)

Compost bevat heel weinig nutriënten die geschikt zijn voor de groei van het gewas.