NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsDUTCH Verbum Presens 1
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
De bussen (rijden)......... door de stad.
a)
rijden
b)
rijdt
c)
rijd
2.
Ik (zitten) ......... in de bus.
a)
zitten
b)
zit
c)
zitte
3.
De bus (stoppen) ......... voor het park.
a)
stoppen
b)
stopt
c)
stoopt
4.
..........(lopen) jij naar het museum?
a)
Lopen
b)
Loopt
c)
Loop
5.
Jan (wandelen) ....... door het park naar het museum.
a)
wandelt
b)
wandeelt
c)
wandel
6.
De toerist (maken) ......... een foto van de kinderen.
a)
maken
b)
maakt
c)
makt
7.
Hij (vinden) ........ de kinderen leuk.
a)
vinden
b)
vind
c)
vindt
8.
Annie (spelen)....... ook in het park.
a)
speel
b)
speelt
c)
spelen
9.
We (gaan)........ naar de bushalte.
a)
gaan
b)
gaat
c)
ga
10.
Ik (wandelen) ........ graag in het park.
a)
wandeel
b)
wandel
c)
wandelt
Reset
