wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling taal groep 8 thema 7 week 1 en 2

Total questions: 30

Worksheet time: 3600secs

Name
Class
Date
1.

Met reden aangeven waarom je iets vindt.

a)

de bewondering

b)

discussiëren

c)

prijzen

d)

beargumenteren

2.

de bewondering

a)

Iemand mooi of goed vinden.

b)

Een oplossing waarbij beide partijen een beetje toegeven.

c)

Zeggen dat iets of iemand heel goed is.

d)

Met redenen aangeven waarom je iets vindt.

3.

Wat is een voorbeeld van prijzen? Er zijn meerdere antwoorden goed.

a)

'Tennis is de mooiste sport.'

b)

'Ik gun haar geen plezier.'

c)

'Denk je soms dat ik gek ben?'

d)

'Wat een leuke meid!'

4.

Anne vraagt: "Zullen we geld inzamelen voor een nieuw klimrek?" Marloes geeft antwoord: "Dat vind ik een geweldig idee!" Welk begrip past hierbij?

a)

Instemmen met

b)

Discussiëren

c)

Onderhandelen

d)

Beargumenteren

5.

Welke zin is goed?

a)

De reden waarom je iets vindt noem je het compromis.

b)

Als mensen het niet met elkaar eens zijn noem je dat het compromis.

c)

Een oplossing waarbij beide partijen een beetje toegeven noem je het compromis.

6.

"Tante Valerie's kookkunsten werden bejubeld in de recensie"

Welk begrip past bij de tekst?

a)

het meningsverschil

b)

prijzen

c)

instemmen met

7.

Het meisje zag haar jongere zusje gisteren zwemmen.

Welke woordsoort is het onderstreepte inhoudswoord?

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

bijwoord

8.

Bij welke zin zijn alleen alle inhoudswoorden onderstreept?

a)

Ik had een groot meningsverschil met Tijn.

b)

Ik had een groot meningsverschil met Tijn.

c)

Ik had een groot meningsverschil met Tijn.

9.

Welke woorden uit de zin zijn inhoudswoorden?

Een prachtig boek lezen wij.

Er zijn meerdere antwoorden goed.

a)

Een

b)

prachtig

c)

boek

d)

lezen

e)

wij

10.

Vandaag logeer ik bij mijn lieve oma.

Welk woord is het bijwoord in de zin?

a)

vandaag

b)

logeer

c)

lieve

d)

oma

11.

In de kast vond ik een prachtig boek.

Klik op de zelfstandige naamwoorden uit de zin.

a)

de, kast

b)

kast, boek

c)

prachtig, boek

d)

in, een

12.

De voor-en achterkant van het huis zijn wit.


Wat is de samentrekking in deze zin?

(a)  

13.

Welke twee woorden kun je samentrekken?


Ik heb een wondje op mijn linkerhand en rechterhand.

(a)  

14.

Wat is de samentrekking in deze zin?


De fiets- en voetpaden in deze wijk zijn erg breed.

a)

erg breed

b)

deze wijk

c)

fiets- en voetpaden

d)

zijn

15.

Wat zie je op het plaatje?

a)

uitschakelen

b)

de robotarm

c)

de levensduur

d)

de generator

16.

Hoe lang je iets kunt gebruiken voordat het stuk gaat.

a)

opwekken

b)

omzetten in

c)

de robot

d)

de levensduur

17.

Een gloeilamp zorgt ervoor dat elektrische energie wordt omgezet in licht en warmte.


Wat betekent de onderstreepte tekst?

a)

Een apparaat dat iets maakt of veroorzaak, bijvoorbeeld stroom.

b)

Ervoor zorgen dat iets ontstaat, bijvoorbeeld energie.

c)

Van het één iets anders maken.

d)

Uitdoen, zodat iets niet meer werkt.

18.

Tik op de goede zin.

a)

Hoe lang je iets kunt gebruiken, voordat het stuk gaat noem je de levensduur.

b)

Uitdoen, zodat iets niet meer werkt noem je mechanisch.

c)

Van het één iets anders maken noem je opwekken.

19.

De poes heeft voor ons een muis gevangen in de hal.


Wat is het mv in de zin?

(a)  

20.

Wat is het onderwerp van de zin?


Wij hebben hondenbrokken voor de hond gekocht.

(a)  

21.

In welke vorm staat het werkwoord?


Zij kent dit gebied op haar duimpje

a)

ik-vorm

b)

hij-vorm

c)

wij-vorm

22.

Welke zin staat in de hij-vorm?

a)

Morgen loop ik de avondvierdaagse.

b)

Mijn moeder moedigt mij aan.

23.

Wat zie je op de afbeelding?

a)

het elektron

b)

opwekken

c)

de robotarm

d)

de watt

24.

De robot kan grasmaaien en stofzuigen.


Wat betekent het onderstreepte woord?

a)

Alles waar machines bij gebruikt worden.

b)

Een machine die werkt als een menselijke arm.

c)

Uitdoen, zodat iets niet meer werkt.

d)

Automaat die bediend wordt door een computerprogramma en op een mens lijkt.

25.

Kies de twee antwoorden die horen bij: de watt.

a)

het broeikaseffect

b)

het verbruik

c)

de luchthaven

d)

de waterkoker

e)

de sloppenwijk

26.

Wat is de bepaling van plaats in de zin?


De brandweer heeft de brand in het huis geblust.

(a)  

27.

Wat is het gezegde in de zin?


De vrouw versprak zich zojuist in de bus.

(a)  

28.

Wat is de persoonsvorm (pv) in de zin?


Dana heeft haar sleutels aan haar moeder gegeven.

(a)  

29.

Welk woord moet er op de lege plek?


Hij .................. weg via de achterdeur.

a)

sluipen

b)

sluipt

c)

sluip

30.

Welke zin staat in de wij-vorm?

a)

Deze kapper knipt scheef.

b)

De klanten zijn zeer ontevreden.