wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Natuur en techniek oefentoets thema 4 de De zon in je tank

Total questions: 15

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Waaraan zie je dat een plant in de woestijn leeft?

a)

Geen vetlaag, maar wel dikke stengels

b)

Een vetlaag, dunne stengels, dikke bladeren

c)

Een vetlaag, dikke stengels, dunne bladeren

d)

Geen vetlaag, dunne stengels en geen bladeren

2.

Wat voor plant kan het best overleven op een berghelling?

a)

Een plant die laag bij de grond groeit en kleine stevige bladeren heeft, zo waait hij niet weg.

b)

Een plant met lange dunne stengels zodat hij de beweging van de wind volgt.

c)

Er groeien geen planten op een berghelling

d)

Een plant met bloemen, een dikke stengel en smalle lange bladeren.

3.

Waaraan herken je een zoogdier uit het poolgebied? Denk aan een ijsbeer of een poolvos.

a)

Dunne vacht, dikke vetlaag, lichte kleur

b)

Dunne vacht, dunne vetlaag, donkere kleur

c)

Dikke vacht, dunne vetlaag, donkere kleur

d)

Dikke vacht, dikke vetlaag en een lichte kleur

4.

Wat is de belangrijkste eis voor een toestel op het schoolplein?

a)

Het toestel moet er mooi uitzien

b)

Het toestel moet veilig zijn

c)

Het toestel moet lang meegaan

d)

Het toestel moet niet al te duur zijn

5.

Wat zijn de eigenschappen van het materiaal: staal?

a)

Staal is licht, maar wel stevig

b)

Staal is licht, buigzaam en stevig

c)

Staal is zwaar, buigzaam en stevig

d)

Staal is zwaar en stevig

6.

Wat laat een doorsnede zien?

a)

Een doorsnede is een filmpje van hoe iets doormidden wordt gesneden

b)

Een doorsnede zijn de verschillende aanzichten van een voorwerp

c)

Een doorsnede is een 3D tekening van een voorwerp

d)

Een doorsnede laat je zien hoe de binnenkant van een voorwerp eruit ziet

7.

Wat is koolstofvezel?

a)

Koolstofvezel is een stof die lichter is dan staal, maar wel steviger dan staal

b)

Koolstofvezel is een stof die zwaarder is dan staal, maar niet steviger dan staal

c)

Koolstofvezel is een stof die heel zwaar is dat je het met een groep mensen niet kunt optillen

d)

Koolstofvezel bestaat niet

8.

Ik heb de volgende woorden in een zin verwerkt: zonnecellen, zonlicht, energie en zonnepanelen. Welke zin is juist?

a)

Zonnecellen bestaan uit kunststof platen met zonnepanelen er tussen. Die vangen zonlicht op en zetten dat om in energie.

b)

Zonnepanelen bestaan uit kunststof platen met zonnecellen er tussen. Die vangen zonlicht op en zetten dat om in energie.

c)

Zonnepanelen bestaan uit kunststof platen met zonlicht er tussen. Die vangen energie op en zetten dat om in zonnecellen.

d)

Zonnecellen bestaan uit kunststof platen met energie er tussen. Die vangen zonlicht op en zetten dat om in zonnepanelen.

9.

Schoenen kunnen veerkracht hebben, maar er zitten geen veren in de schoenen. Wat zit er dan wel in de schoen?

a)

Er zitten springveren in de schoenen.

b)

Er zit niets in de schoen, het is afhankelijk van je gewicht.

c)

Er zit niets in de schoen, het is afhankelijk van je lengte.

d)

Er zit lucht in de zool.

10.

Als je een gebouw bouwt, dan heeft dat gebouw een functie. Wat wordt er bedoelt met het woord functie?

a)

Functie dat zijn de ontwerpeisen van een gebouw

b)

Functie dat is waar het gebouw voor wordt gebruikt

c)

Functie betekent dat er vreemde vormen zijn gebruikt tijdens de bouw van het gebouw

d)

Functie betekent hoe groot een gebouw is

11.

Als je iets ontwerpt denk je goed na over de functie van het voorwerp om te bepalen van welk materiaal je het maakt. Ik ontwerp een waterhuis dat makkelijk moet kunnen draaien. Ik maak het huis van:

a)

Papier

b)

Kunststof

c)

Bakstenen

d)

Staal

12.

Je hebt energiebronnen en energievormen. De zon is een energiebron. Welke energievormen levert de zon?

a)

licht en energie

b)

warmte en energie

c)

licht en warmte

d)

licht, warmte en energie

13.

Zijn water en wind energievormen?

a)

Nee, maar ze kunnen wel energie op wekken, want water en wind kunnen dingen in beweging krijgen en dat wordt omgezet in energie.

b)

Nee, er zit geen stroom in water en wind

c)

Ja, water en wind zijn energievormen

d)

Ja, maar alleen in de zomer want dan is het water niet bevroren.

14.

Je hebt verschillende energievormen. Je hebt warmte, licht, beweging en geluid. Bij welk voorwerp wordt energie omgezet in licht?

a)

Zonneauto

b)

Föhn

c)

Televisie

d)

Wasmachine

15.

Om dingen aan elkaar vast te maken heb je verbindingen nodig. Wat zijn goede verbindingen om hout aan elkaar vast te maken?

a)

Schroef en paperclip

b)

Klittenband en spijker

c)

Paperclip en klittenband

d)

Spijker en schroef