wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

DUTCH, Verbum Presens 3

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

(wonen) De ouders van Annemarie .......... in een dorp.

a)

woonen

b)

woont

c)

wonen

2.

(blijven) Chris .......... alleen thuis.

a)

blijvt

b)

blijft

c)

blijven

3.

(schrijven) Hij .......... eerst een brief.

a)

schrijvt

b)

schrijft

c)

schrijven

4.

(nemen) Daarna .......... hij een boek.

a)

nemt

b)

neem

c)

neemt

5.

(lezen) Annemarie .......... de hele middag.

a)

lezt

b)

leezt

c)

leest

6.

(zijn) Ze .......... in de stad.

a)

ben

b)

is

c)

bent

7.

(geven) Ze ..........veel geld uit aan het reisgeld.

a)

gev

b)

geevt

c)

geeft

8.

(verliezen) Kees .......... veel tijd.

a)

verliezen

b)

verliezt

c)

verliest

9.

(zoeken) Anita .......... een kamer in de stad.

a)

zoekt

b)

zoek

c)

zoeken

10.

(verhuizen) Ze ............ aan het begin van de maand.

a)

verhuizent

b)

verhuist

c)

verhuizt