wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

schrijf de ik-vorm, geen punt zetten

Total questions: 51

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

naar tv kijken

(a)  

2.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

boodschappen doen

(a)  

3.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een bloem tekenen

(a)  

4.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een zoekertje plaatsen

(a)  

5.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

naar de les komen

(a)  

6.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een rugzak dragen

(a)  

7.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een huis verkopen

(a)  

8.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

met de auto rijden

(a)  

9.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een geschenk krijgen

(a)  

10.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een cola drinken

(a)  

11.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

de sleutel vinden

(a)  

12.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een brief schrijven

(a)  

13.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

Nederlands leren

(a)  

14.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een broodje eten

(a)  

15.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

de oplossing weten

(a)  

16.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

goed slapen

(a)  

17.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

naar de radio luisteren

(a)  

18.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een hond hebben

(a)  

19.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

in een huis wonen

(a)  

20.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een spel spelen

(a)  

21.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een kunstwerk maken

(a)  

22.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een vriend helpen

(a)  

23.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

ongelukkig zijn

(a)  

24.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

niet stoppen

(a)  

25.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een wedstrijd lopen

(a)  

26.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een brood bakken

(a)  

27.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

het fruit wegen

(a)  

28.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

regenen

(a)  

29.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

verf mengen

(a)  

30.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

wakker blijven

(a)  

31.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

in de tuin werken

(a)  

32.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een boterham smeren

(a)  

33.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

moeten

(a)  

34.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

op café gaan

(a)  

35.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

geen geld willen

(a)  

36.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een datum afspreken

(a)  

37.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een bus nemen

(a)  

38.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

zich aankleden

(a)  

39.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

koffie zetten

(a)  

40.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

in de rij staan

(a)  

41.

Schrijf in het perfectum:

onweren

(a)  

42.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

op de deur kloppen

(a)  

43.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een vogel zien

(a)  

44.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

stormen

(a)  

45.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

water koken

(a)  

46.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

knoflook persen

(a)  

47.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

informatie zoeken

(a)  

48.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

een pakket sturen

(a)  

49.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

met iemand praten

(a)  

50.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

kunnen

(a)  

51.

Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:

pijn voelen

(a)