Font size
Worksheetsschrijf de ik-vorm, geen punt zetten
Total questions: 51
Worksheet time: 26mins
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
naar tv kijken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
boodschappen doen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een bloem tekenen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een zoekertje plaatsen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
naar de les komen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een rugzak dragen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een huis verkopen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
met de auto rijden
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een geschenk krijgen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een cola drinken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
de sleutel vinden
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een brief schrijven
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
Nederlands leren
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een broodje eten
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
de oplossing weten
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
goed slapen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
naar de radio luisteren
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een hond hebben
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
in een huis wonen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een spel spelen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een kunstwerk maken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een vriend helpen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
ongelukkig zijn
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
niet stoppen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een wedstrijd lopen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een brood bakken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
het fruit wegen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
regenen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
verf mengen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
wakker blijven
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
in de tuin werken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een boterham smeren
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
moeten
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
op café gaan
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
geen geld willen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een datum afspreken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een bus nemen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
zich aankleden
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
koffie zetten
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
in de rij staan
(a)
Schrijf in het perfectum:
onweren
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
op de deur kloppen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een vogel zien
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
stormen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
water koken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
knoflook persen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
informatie zoeken
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
een pakket sturen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
met iemand praten
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
kunnen
(a)
Schrijf in de ik-vorm in het perfectum:
pijn voelen
(a)
