Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Chemische bindingen HW

Total questions: 55

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Welke elementen hebben veel valentie-elektronen, maar geen volledig gevulde buitenste schil?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

2.

Welke elementen hebben weinig valentie-elektronen, maar geen volledig gevulde buitenste schil?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

3.

Welke elementen hebben een volledig gevulde buitenste schil?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

4.

Welke elementen bevinden zich links in het periodiek systeem?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

5.

Welke elementen bevinden zich rechts, maar niet uiterst rechts, in het periodiek systeem?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

6.

Welke elementen bevinden zich uiterst rechts in het periodiek systeem?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

7.

Welke elementen hebben de neiging om elektronen naar zich toe te trekken?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

8.

Welke elementen hebben de neiging om elektronen af te staan?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

9.

Welke elementen vormen positieve ionen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

10.

Welke elementen vormen negatieve ionen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

11.

Welke elementen staan graag elektronen af?

a)

Elementen met weinig valentie-elektronen

b)

Elementen met veel valentie-elektronen

12.

Welke elementen nemen graag elektronen op?

a)

Elementen met weinig valentie-elektronen

b)

Elementen met veel valentie-elektronen

13.

Welke elementen willen geen elektronen afstaan of opnemen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

14.

Welke elementen vormen positieve ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

15.

Welke elementen vormen negatieve ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

16.

Welke elementen vormen geen ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

17.

Welke elementen staan links in het PSE?

a)

Elementen met weinig valentie-elektronen

b)

Elementen met veel valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

18.

Welke elementen staan rechts, maar niet uiterst rechts in het PSE?

a)

Elementen met weinig valentie-elektronen

b)

Elementen met veel valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

19.

Welke elementen staan uiterst rechts in het PSE?

a)

Elementen met weinig valentie-elektronen

b)

Elementen met veel valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

20.

Welke elementen staan links in het PSE?

a)

Elementen die positieve ionen vormen

b)

Elementen die negatieve ionen vormen

c)

Elementen die geen ionen vormen

21.

Welke elementen staan rechts, maar niet uiterst rechts, in het PSE?

a)

Elementen die positieve ionen vormen

b)

Elementen die negatieve ionen vormen

c)

Elementen die geen ionen vormen

22.

Welke elementen staan uiterst rechts, in het PSE?

a)

Elementen die positieve ionen vormen

b)

Elementen die negatieve ionen vormen

c)

Elementen die geen ionen vormen

23.

Hoeveel elektronen willen elementen met 1 valentie-elektron afstaan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

24.

Hoeveel elektronen willen elementen met 2 valentie-elektronen afstaan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

25.

Hoeveel elektronen willen elementen met 3 valentie-elektronen afstaan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

26.

Hoeveel elektronen willen elementen met 7 valentie-elektronen opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

27.

Hoeveel elektronen willen elementen met 6 valentie-elektronen opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

28.

Hoeveel elektronen willen elementen met 5 valentie-elektronen opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

29.

Hoeveel elektronen willen elementen met 8 valentie-elektronen (of een volledig gevulde buitenste schil) opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

30.

Welke elementen gaan bindingen aan?

a)

Metalen

b)

Niet-metalen

c)

Edelgassen

31.

Welk schoonheidsideaal streven elementen na door te binden?

a)

een volledig gevulde buitenste schil

b)

zoveel mogelijk protonen

c)

zoveel mogelijk elektronen

32.

Hoe noemen we de binding tussen een metaal en een niet-metaal?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

33.

Hoe noemen we de binding tussen niet-metalen?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

34.

Hoe noemen we de binding tussen metalen?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

35.

Bij welke soort binding worden gemeenschappelijke elektronenparen gevormd?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

36.

Bij welke soort binding worden valentie-elektronen gemeenschappelijk beschikbaar gesteld?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

37.

Bij welke soort binding worden elektronen uitgewisseld?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

38.

Welke elementen streven de edelgasconfiguratie na door elektronen uit te wisselen?

a)

2 metalen

b)

een metaal en een niet-metaal

c)

2 niet-metalen

39.

Welke elementen streven de edelgasconfiguratie na door elektronen gemeenschappelijk beschikbaar te maken?

a)

2 metalen

b)

een metaal en een niet-metaal

c)

2 niet-metalen

40.

Welke elementen streven de edelgasconfiguratie na door gemeenschappelijke elektronenparen te vormen?

a)

2 metalen

b)

een metaal en een niet-metaal

c)

2 niet-metalen

41.

Waar staat Mg in het PSE?

a)

links

b)

rechts

c)

uiterst rechts

42.

Welk soort element is Mg?

a)

Metaal

b)

Niet-metaal

c)

Edelgas

43.

Waar staat O in het PSE?

a)

links

b)

rechts

c)

uiterst rechts

44.

Welk soort element is O?

a)

Metaal

b)

Niet-metaal

c)

Edelgas

45.

Welk soort binding is de binding MgO?

a)

ionbinding

b)

covalente binding

c)

metaalbinding

46.

Waar staat S in het PSE?

a)

links

b)

rechts

c)

uiterst rechts

47.

Welk soort element is S?

a)

Metaal

b)

Niet-metaal

c)

Edelgas

48.

Waar staat O in het PSE?

a)

links

b)

rechts

c)

uiterst rechts

49.

Welk soort element is O?

a)

Metaal

b)

Niet-metaal

c)

Edelgas

50.

Welk soort binding is de binding SO3?

a)

ionbinding

b)

covalente binding

c)

metaalbinding

51.

Waar staat Na in het PSE?

a)

links

b)

rechts

c)

uiterst rechts

52.

Welk soort element is Na?

a)

Metaal

b)

Niet-metaal

c)

Edelgas

53.

Welk soort binding is een binding tussen Na-ionen?

a)

ionbinding

b)

covalente binding

c)

metaalbinding

54.

Wil Natrium elektronen afstaan of opnemen?

a)

Natrium wil elektronen afstaan

b)

Natrium wil elektronen opnemen

55.

Wil Chloor elektronen afstaan of opnemen?

a)

Chloor wil elektronen afstaan

b)

Chloor wil elektronen opnemen