Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verkeerstoets 2020 - oefenen

Total questions: 36

Worksheet time: 52mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent dit verkeersbord?

a)

Verplicht rechtdoor

b)

Verboden links of rechts af te slaan

c)

Eénrichtingsverkeer

2.

Wat betekent dit?

a)

Kijk, dit is een woonerf. Kinderen mogen hier op straat spelen.

b)

Je moet hier spelen.

c)

Pas op met de kinderen.

d)

Je mag hier niet spelen.

3.

Wat betekent dit?

a)

Je moet stoppen op het einde van de straat.

b)

Kijk, dit is een straat die stopt. Je kan niet verder op het einde van de straat.

c)

Pas op, het is gevaarlijk op het einde van de straat.

d)

Kijk, op het einde van de straat is er een kruispunt.

4.

Dit bord is een...

a)

gevaarsbord

b)

verbodsbord

c)

gebodsbord

d)

aanwijzingsbord

5.

Je zit in de auto met je tante en ziet dit bord. Je tante rijdt de straat in.

a)

Dit mag.

b)

Dit mag niet.

6.

Welk verkeersbord betekent:

'Fietspad, verplicht om te gebruiken'?

a)
b)
c)
d)
7.

Wat betekent dit verkeersbord?

a)

Hier begint een fietsstraat. Auto's mogen hier de fietsers niet inhalen.

b)

In deze fietsstraat mag je maximum 50 km/uur rijden.

c)

In deze straat mogen geen auto's rijden.

8.

Wie heeft voorrang?

a)

Auto

b)

Voetganger

c)

Fietser

9.

Wie heeft voorrang?

a)

Blauwe auto

b)

Gele auto

c)

Fietser

10.

Wie heeft voorrang?

a)

Blauwe auto

b)

Gele auto

c)

Fietser

11.

Je rijdt op het fietspad. Voor jou stappen mensen uit de lijnbus. Wat moet je doen?

a)

Ik moet de passagiers waarschuwen met mijn fietsbel, maar ik mag doorrrijden.

b)

Ik moet stoppen en de passagiers laten uitstappen.

c)

Ik moet vertragen, maar ik mag tussen de passagiers door rijden.

12.

Wanneer heeft een tram voorrang op de fietser?

a)

Als de tram op een rechte baan rijdt.

b)

Als de tram van rechts komt.

c)

De tram heeft altijd voorrang.

13.

Is een fluohesje reflecterend of fluorescerend?

a)

reflecterend

b)

fluorescerend

c)

Allebei: de kleur is fluo, de stroken zijn reflecterend

14.

Met welk soort kledij ben je overdag het best zichtbaar?

a)

met lichte kleuren

b)

met donkere kleuren

c)

met reflecterende kledij

d)

met fluorescerende kledij

15.

Wat betekent 4?

a)

Rode reflector achteraan

b)

In elke pedaal 2 gele of oranje reflectoren

c)

Witte reflector vooraan

d)

Reflectoren in of op de wielen

16.

Wat betekent 6?

a)

goede remmen vooraan en achteraan

b)

een luide fietsbel

c)

een stevig stuur, iets hoger dan het zadel

d)

goed werkende lichten vooraan en achteraan

17.

Mag een fietslicht knipperen?

a)

Ja dat mag, zowel vooraan als achteraan.

b)

Een voorlicht mag knipperen, een achterlicht niet.

c)

Neen, dat mag niet. Fietslichten moeten altijd branden bij donker.

18.

Wanneer moet je je fietsverlichting aanzetten?

a)

's Avonds en 's nachts

b)

Telkens wanneer je onvoldoende zichtbaar ben voor andere weggebruikers.

c)

Telkens wanneer je zelf onvoldoende ziet.

19.

In welke zin ontbreekt het woord 'voetpad'?

a)

Als er binnen de 30 meter een ... is, moet ik daar oversteken.

b)

Ik stap altijd uit de auto aan de kant van ...

c)

Kleine kinderen met een kinderfiets mogen op het ... fietsen, maar ik moet het fietspad gebruiken.

20.

Het alarm gaat af, de slagboom gaat naar beneden.

a)

Ik heb nog tijd dus ik steek nog snel over.

b)

Ik stop en wacht met oversteken tot de slagbomen omhoog zijn en het witte licht weer knippert.

c)

Ik wacht met oversteken tot de trein voorbij is en de slagbomen omhoog zijn.

21.

Hoe steek je als fietser het best een zebrapad over?

a)

Ik stop, stap af en mag halverwege opnieuw beginnen fietsen.

b)

Ik stop, stap af en steek met mijn fiets aan de hand over wanneer het veilig is.

c)

Ik stop en steek al fietsend over wanneer het veilig is.

22.

Marie is 10 jaar en 1,25 m groot.

Zoek de 2 juiste zinnen.

a)

Mag achteraan zitten zonder verhogingskussen.

b)

Mag achteraan zitten met een verhogingskussen.

c)

Mag vooraan zitten zonder verhogingskussen.

d)

Mag vooraan zitten met een verhogingskussen.

e)

Mag zonder gordel in de auto meerijden.

23.

Louis is 11 jaar en 1,40 m groot.

Zoek de 4 juiste zinnen.

a)

Mag achteraan zitten zonder verhogingskussen.

b)

Mag achteraan zitten met een verhogingskussen.

c)

Mag vooraan zitten zonder verhogingskussen.

d)

Mag vooraan zitten met een verhogingskussen.

e)

Mag zonder gordel in de auto meerijden.

24.

Wanneer mag je achterop zitten op de fiets?

a)

Als er een bagagedrager is

b)

Als er voetsteunen op de fiets zijn

c)

Als er een aangepast zitje en voetsteunen op de fiets zijn

25.

Mag je je gordel onder je arm vastmaken?

a)

Ja, dat mag.

b)

Neen, dat mag niet.

c)

Ja, dat mag, maar enkel als je achteraan zit.

26.

Je komt met je fiets aan deze wegenwerken. Wat moet je doen?

a)

Niemand mag hier door.

b)

Alleen mensen die echt in deze straat moeten zijn, mogen door.

c)

Het bord 'uitgezonderd plaatselijk verkeer' geldt niet voor fietsers. Je mag dus door, maar je moet wel voorzichtig zijn.

27.

Je komt met je fiets aan deze wegenwerken. Wat moet je doen?

a)

Als je naar het station wil, sla je rechtsaf. Zoniet, rijd je rechtdoor voorbij het bord.

b)

Je mag hier niet rechtdoor rijden, dus sla je rechts af en volg je de pijl 'station'.

c)

Je mag hier rechtdoor fietsen. Dit bord geldt alleen voor autobestuurders en brommers.

28.

Mag je 'met oortjes' naar muziek luisteren als je fietst?

a)

Neen, oortjes zijn verboden op de fiets.

b)

Ja, maar het is wel gevaarlijk omdat je dan de geluiden van het verkeer niet goed hoort.

c)

Ja, maar alleen klassieke muziek.

29.

Je gsm gaat af terwijl je fietst. Wat moet je doen?

a)

Ik laat hem rinkelen want ik mag niet met mijn gsm in mijn hand fietsen.

b)

Ik neem mijn gsm om te kijken wie er belt en duw hem dan af. Ik bel later wel terug.

c)

Ik neem op want ik fiets in een rustige straat.

30.

Je rijdt als fietser achter deze bus. De bus pinkt naar links om op de rijbaan te komen. Wat moet je doen?

a)

Je moet doorrijden en de bus moet wachten tot je voorbij gereden bent.

b)

Je moet stoppen en de bus voorrang geven.

31.

Welk verkeersbord betekent:

'kruispunt waar de voorrang van rechts geldt'?

a)
b)
c)
d)
32.

Welk verkeersbord betekent:

'Verplicht om rechts af te slaan'?

a)
b)
c)
d)
33.

Wat is de dode hoek van deze vrachtwagenchauffeur?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

34.

Klik de 3 veilige antwoorden aan.

a)

Blijf als fietser rechts achter de vrachtwagen.

b)

Maak oogcontact met de vrachtwagenchauffeur.

c)

Zorg dat je gezien wordt.

d)

Steek de vrachtwagen rechts voorbij.

35.

Je fietst met een vriend naast elkaar buiten de bebouwde kom. Er komt een auto aan. Wat doe je?

a)

We mogen naast elkaar blijven fietsen.

b)

We moeten achter elkaar fietsen.

c)

We moeten wat dichter bij elkaar fietsen.

36.

Je fietst met een vriend naast elkaar binnen de bebouwde kom. Er komt een auto aan. Wat doe je?

a)

We mogen naast elkaar blijven fietsen als de tegenliggers nog kunnen passeren.

b)

We moeten achter elkaar fietsen.

c)

We moeten wat dichter bij elkaar fietsen.