wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HAVO4 check Ecologie

Total questions: 22

Worksheet time: 2hrs 50mins

Name
Class
Date
1.

De wetenschappelijke naam van een soort bestaat minimaal uit welke onderdelen?

a)

Een ordenaam

b)

Een familienaam

c)

Een geslachtsnaam

d)

Een soortaanduiding

e)

Een ondersoortaanduiding

2.

Wat is een andere benaming voor ondersoort als we het hebben over gefokte dieren of gekweekte planten?

a)

Ras

b)

Geslacht

c)

Individu

d)

Type

3.

De koolmees heeft de wetenschappelijke naam Parus major. Welke van onderstaande soorten is het meest verwant aan de koolmees?

a)

Parus minor (Japanse koolmees)

b)

Remiz pendulinus (buidelmees)

c)

Dendrocopos major (grote bonte specht)

d)

Pieris rapae (koolwitje)

4.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn biotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Uit wat voor grondsoort de bodem bestaat

e)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

5.

De temperatuur in een gebied en de hoeveelheid zonlicht die in een gebied schijnt zijn voorbeelden van....

a)

Biotische factoren

b)

Draagkracht

c)

Toleranties

d)

Abiotische factoren

6.

Vul in: Twee organismen behoren tot dezelfde soort als zij samen ……………………………………… kunnen krijgen.

(a)  

7.

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

8.

De maximale populatiegrootte waarvoor in een gebied voldoende voedsel-, schuil- en nestplaatsen zijn, noemen we …………………………………….. van het gebied.

a)

de draagkracht

b)

de populatiedichtheid

c)

het tolerantiegebied

d)

de optimumwaarde

9.

Hoe noemen we een soort die niet van nature in een bepaald gebied voorkwam maar door de mens daar naartoe is gebracht (expres of per ongeluk)

a)

Symbiotische soort

b)

Exoot

c)

Toeristsoort

d)

Meereiziger

10.

Wat is geen voorbeeld van een relatie die tussen verschillende soorten kan bestaan?

a)

Voedselrelatie

b)

Symbiose

c)

Concurrentie

d)

Onderlinge voortplanting

11.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Gelet op de pieken en dalen in beide lijnen, welke lijn geeft de populatiegrootte van de prooi weer?

a)

De dichte streep (soort A)

b)

De stippellijn (soort B)

12.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus de linker y-as moet bij de prooidieren horen

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus de rechter y-as moet bij de prooidieren horen

13.

Welke van onderstaande woorden zijn vormen van symbiose?

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

d)

Antropomorfisme

14.

Wanneer twee individuen van verschillende soorten een mutualistische relatie hebben, dan heeft één van beide individuen hiervan voordeel en de ander ……………………………

a)

ook voordeel

b)

nadeel

c)

geen voordeel en geen nadeel (neutraal)

d)

wordt opgegeten

15.

Wat voor relatie kan er bestaan tussen de soort die gegeten wordt en de soort die deze ander eet?

a)

Symbiose

b)

Predator-prooirelatie

c)

Concurrentie

d)

Mimicry

16.

Dieren die zowel plantaardig als dierlijk voedsel eten, noemen we ook wel ...…..

a)

omnivoren

b)

carnivoren

c)

herbivoren

d)

producenten

17.

Planten en fytoplankton vervullen in een ecosysteem de rol van ……………………...……...

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten van de eerste orde

d)

consumenten van de tweede orde

18.

Een dier dat behoort tot de consumenten van de 3e orde, die eet ……………………...

a)

producenten

b)

andere consumenten van de 3e orde

c)

consumenten van de 4e orde

d)

consumenten van de 2e orde

19.

Wat is in deze afbeelding weergegeven?

a)

Een voedselweb

b)

Een predator-prooirelatie

c)

Een voedselketen

d)

Een ecosysteem

20.

Twee uitspraken, welke is of zijn juist?

1 Consumenten van de eerste orde zijn herbivoren.

2 Consumenten van de eerste orde zijn carnivoren.

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn onjuist

d)

Beide uitspraken zijn juist

21.

Groepen organismen met dezelfde functie in het ecosysteem, zoals producenten, consumenten en reducenten, noemen we ook wel ……………………..

a)

trofische niveaus

b)

voedselwebben

c)

relaties

d)

abiotische factoren

22.

Als de organismen in een bepaald trofisch niveau zich voeden met organismen uit het vorig trofisch niveau, wat gebeurt er dan met de gegeten biomassa?

a)

een deel wordt uitgepoept omdat het onverteerbaar is.

b)

een deel wordt gedissimileerd en verdwijnt dus als CO2 en water

c)

een deel wordt gebruikt om eigen biomassa van te maken