wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3G NDLS / ENGLISH

Total questions: 40

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat zie je op het beeld?

a)

het potlood

b)

de potlood

c)

de vulpen

d)

het vulpen

2.

Het is de vlag van...

a)

belgie

b)

belgië

c)

Belgie

d)

België

3.

Mevrouw Wattiez is de lerares...

a)

Engles

b)

Engels

c)

Angels

d)

Angles

4.

Welke les geeft Mevrouw Estiévenart?

a)

aardrijkskunde

b)

aardrijksunde

c)

aardrijskunde

d)

ardrijkskunde

5.

Hoe schrijf je…?

a)

zevenenvertig

b)

zevenenveertig

c)

vierenzeventig

d)

veerenzeventig

6.

Hoe schrijf je… ?

a)

negentienhonderd negentig

b)

negentighonderd

c)

negentienhonderd negenennegentig

d)

negenhonderd negenennegentig

7.

De kat is...

a)

wit

b)

witte

c)

huit

d)

huite

8.

Mevrouw Spissu geeft de les...

a)

Frans

b)

wiskunde

c)

biologie

d)

geschiedenis

9.

Wat zie je op het beeld?

a)

een elefant en een giraaf

b)

een olifant en een giraf

c)

een olifant en een giraaf

d)

een elefant en een giraf

10.

Het speelt...

a)

guitaar

b)

guitar

c)

guitare

d)

gitaar

11.

Nederlands is een officiële taal in...

a)

België

b)

Suriname

c)

Nederlands

d)

Duitsland

12.

Hoe zeg je 'Au revoir' in het Nederlands?

a)

Tot ziens !

b)

Hallo !

c)

Bye !

d)

Tschüss !

13.

'Gouda' is...

a)

een soort kaas

b)

een dans

c)

een drank

d)

een stad

14.

Welke zin is correct?

a)

Thuis ik moet helpen.

b)

Thuis moet ik helpen.

c)

Thuis ik helpen moet.

15.

Wat is dat ?

a)

Dat is een broek.

b)

Dat is een hemd.

c)

Dat is een jas.

d)

Dat zijn schoenen.

16.

Wat is dat ?

a)

Dat is een hoed.

b)

Dat is een broek.

c)

Dat is een trui.

d)

Dat zijn sokken.

17.

Wat is dat ?

a)

Dat is een t-shirt.

b)

Dat is een sjaal.

c)

Dat is een trui.

d)

Dat is een riem.

18.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn sokken.

b)

Dat is een hoed.

c)

Dat is een bril.

d)

Dat is een zwembroek.

19.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn sokken.

b)

Dat zijn laarzen.

c)

Dat is een jean.

d)

Dat zijn schoenen.

20.

Wat is dat ?

a)

Dat zijn sokken.

b)

Dat zijn sportschoenen.

c)

Dat zijn zonnebrillen.

d)

Dat zijn laarzen.

21.

Wat draagt (porte) hij ?

a)

Ze draagt een blauwe broek en bruine schoenen.

b)

Hij draagt een rok en sandalen.

c)

Hij draagt een blauwe broek en bruine schoenen.

d)

Hij draagt een short en een t-shirt.

22.

Ze draagt een hemd, een jean, sokken, sportschoenen en een muts.

a)
b)
c)
d)
23.

Ze draagt een zwart t-shirt, een blauw short en zwarte sportschoenen.

a)
b)
c)
24.

Hij draagt een zwarte jas, een zwarte muts, een grijs t-shirt, een jean en witte sportschoenen.

a)
b)
c)
25.

Wat is dat ?

a)

een peer

b)

een apple

c)

een pruim

d)

een appel

e)

een druif

26.

Wat is dat ?

a)

de komkommer

b)

de augurk

c)

de zuuraugurk

d)

de zoetaugurk

e)

de komkomber

27.

Wat betekent 'Wat is je lievelingskleur?'

a)

Tu es anglais?

b)

Avec qui?

c)

Quelle est ta couleur préférée?

d)

Tu es en vacances?

28.

Hoe zeg je : 'Elle porte un pull vert'?

a)

Ze draagt een rode jas

b)

Ze draagt een gele trui

c)

Ze draagt een gele jas

d)

Ze draagt een groene trui

29.

Wat betekent : 'Ze draagt een zonnebril'?

a)

Elle porte des lunettes de soleil

b)

Elle porte des lunets de soleil

c)

Elle porte des lunettes de sol

d)

Elle porte des lunnettes de soleil

30.

Wat is dit?

a)

De woonkamer

b)

De zolder

c)

De schoorsteen

d)

Het huisdier

31.

Boven

a)
b)
32.

Op welke foto zie je een arm?

a)
b)
c)
d)
33.
a)

de woonkamer

b)

de eetkamer

c)

de keuken

d)

de zolder

34.

Een bed, twee ...

a)

bedden

b)

beds

c)

beden

d)

beeden

35.

De zolder is ...

a)

beneden

b)

boven

c)

buiten

d)

in de tuin

36.

Dit is een ...

a)

deur

b)

trap

c)

raam

d)

stoel

37.

Een raam, twee ...

a)

raams

b)

rammen

c)

ramen

d)

raamen

38.

Wat is het paarse vierkant?

a)
b)
c)
39.

Wat is de groene driehoek?

a)
b)
c)
40.

Waar ligt onze school?

a)

In Bergen

b)

In bergen

c)

In mons