wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatik Deutsch Mavo/Havo

Total questions: 60

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Vertaal: jullie zijn

(a)  

2.

Vertaal: jij bent

(a)  

3.

Vertaal: u bent

(a)  

4.

Vertaal: Max is

(a)  

5.

Vertaal: jullie hebben

(a)  

6.

Vertaal: jij hebt

(a)  

7.

Vertaal: ik heb

(a)  

8.

Mannelijke woorden krijgen het lidwoord

a)

der

b)

die

c)

das

9.

Zelfstandige naamwoorden die eindigen op -e zijn:

a)

vaak mannelijk

b)

vaak vrouwelijk

c)

vaak onzijdig

d)

vaak meervoud

10.

'Het' woorden zijn in het Duits vaak

a)

das

b)

die

c)

der

11.

Woorden die eindigen op -heit, -keit, -schaft, - ung zijn vaak

a)

onzijdig

b)

meervoud

c)

vrouwelijk

d)

mannelijk

12.

Als je het meervoud maakt van mannelijke woorden, doe je dat vaak door:

a)

Umlaut + e

b)

+ (e) + n

c)

+ e

d)

blijven onveranderd

e)

+ s

13.

Welk geheugensteuntje hebben we voor de regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd?

(a)  

14.

Wat is het meervoud van Handy?

a)

Handys

b)

Handy's

c)

Handyn

d)

Handyen

15.

Wat is het meervoud van Lehrer?

(a)  

16.

Als je het meervoud maakt van onzijdige woorden, doe je dat vaak door:

a)

+ e

b)

+ (e) + n

c)

blijven onveranderd

d)

Umlaut + e

17.

Vertaal: jij koopt (kaufen)

(a)  

18.

Vertaal: u speelt

(a)  

19.

Vertaal: jij heet

(a)  

20.

Wanneer een stam van een regelmatig werkwoord eindigt op een sisklank...

a)

komt er bij du ALLEEN een t achter!

b)

vul je st in

c)

doe je niks

21.

Hoe maak je een voltooid deelwoord van een regelmatig werkwoord?

(a)  

22.

Wat is het voltooid deelwoord van fotografieren?

(a)  

23.

Vertaal: een vrouw

(a)  

24.

Vertaal: geen mensen

(a)  

25.

Vertaal: een kind

(a)  

26.

Vertaal: jullie vader

(a)  

27.

Vertaal: onze moeder

(a)  

28.

Vertaal: jullie mensen (Menschen)

(a)  

29.

Vertaal: uw hond

(a)  

30.

Vertaal: mijn huis

(a)  

31.

Wanneer de stam van een werkwoord eindigt op een d/t...

a)

krijg je bij du/er,sie,es,man/ ihr eerst een extra e!

b)

gebeurt er niks

c)

krijg je gewoon de uitgang

32.

Vertaal: jij praat (reden)

(a)  

33.

vertaal: jullie antwoorden

(a)  

34.

Wat is ik in de vierde naamval?

(a)  

35.

Wat is het geheugensteuntje om de voorzetsels van de vierde naamval te onthouden?

(a)  

36.

Hast du das für (a)   gekauft? (ik)

37.

Ich mache das ohne (a)   (jij)

38.

Ich mag meinen neuen Sessel. Durch (a)   wird mein Zimmer gemütlich (hij).

39.

Gegen (a)   hast du das gesagt? (wie)

40.

Für (a)   habe ich das gekauft! (u)

41.

Wat is de vertalen van moeten (kan niet anders)

a)

können

b)

müssen

c)

sollen

d)

dürfen

42.

Wat is de vertaling van mogen?

a)

mögen

b)

müssen

c)

sollen

d)

dürfen

43.

Wat is de vertaling van moeten (opdracht) ?

a)

sollen

b)

müssen

c)

mögen

d)

dürfen

44.

Ich (a)   hier nicht spielen (mogen)

45.

Wir (a)   leider nicht kommen (kunnen).

46.

Ihr (a)   hier parken (moeten, kan niet anders)

47.

Du (a)   das Essen nicht? (leuk vinden, lusten)

48.

Sie (a)   das Schnitzel bestellen? (zou graag willen)

49.

(a)   ihr mit uns nach Italien fahren? (willen)

50.

Wat is het geheugensteuntje voor de voorzetsels van de derde naamval?

a)

ganzvonbams

b)

goedbuf

c)

feesttenten

51.

Wat is een derde naamval eigenlijk?

a)

Onderwerp

b)

Lijdend voorwerp

c)

Meewerkend voorwerp

52.

Wat is de vertaling van naar (bij personen)

a)

nach

b)

zu

c)

bei

d)

von

53.

Hast du bei (a)   gewohnt? (hij)

54.

Kommst du mit (a)   ins Einkaufszentrum? (wij)

55.

Du kannst mit (a)   Kuchen aussuchen. (zij meervoud)

56.

Mit (a)   hast du gesprochen? (wie)

57.

Lukas möchte mit (a)   zum Supermarkt gehen (jullie)

58.

Wir kommen gerne zu (a)   (jij)

59.

Dieses Geschenk hast du von (a)   bekommen! (ik)

60.

Mit (a)   gehe ich ins Kino (zij enkelvoud)