wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatik atheneum 2

Total questions: 50

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Vertaal: jullie zijn

(a)  

2.

Vertaal: zij zijn

(a)  

3.

Vertaal: jij bent

(a)  

4.

Vertaal: het is

(a)  

5.

Vertaal: jullie hebben

(a)  

6.

Vertaal: ik heb

(a)  

7.

Vertaal: wie

(a)  

8.

Vertaal: ik word/zal

(a)  

9.

Vertaal: jullie worden/zullen

(a)  

10.

Vertaal: jij wordt/zal

(a)  

11.

Mannelijke zelfstandige naamwoorden krijgen het lidwoord:

a)

der

b)

die

c)

das

12.

Namen van dagen, maanden, jaargetijden en windrichtingen zijn....

a)

vrouwelijk

b)

mannelijk

c)

onzijdig

d)

meervoud

13.

Woorden die eindigen op -e zijn vaak:

a)

vrouwelijk

b)

mannelijk

c)

onzijdig

d)

meervoud

14.

Woorden die eindigen op -chen en -lein zijn vaak:

a)

mannelijk

b)

onzijdig

c)

vrouwelijk

d)

meervoud

15.

Om een meervoudsvorm te maken van mannelijke zelfstandige naamwoorden moet je het volgende doen:

a)

Umlaut + e

b)

+ (e) + n

c)

blijven onveranderd

d)

+ s

16.

Om een meervoudsvorm te maken van onzijdige zelfstandige naamwoorden moet je het volgende doen:

a)

blijven onveranderd

b)

+ (e) + n

c)

+ s

d)

Umlaut + e

e)

+ e

17.

Vertaal: de ballen

(a)  

18.

Vertaal: de vrouwen

(a)  

19.

Vertaal: de meisjes

(a)  

20.

Vertaal: de mobieltjes

(a)  

21.

Vertaal: de vriendinnen

(a)  

22.

Welk geheugensteuntje heb je om de uitgangen van de regelmatige werkwoorden in de t.t. te onthouden?

(a)  

23.

Als de stam van een regelmatig werkwoord eindigt op een sisklank/d/t krijg je bij du/er/sie/es/man/ihr eerst een extra (a)  

24.

Vertaal: jullie antwoorden

(a)  

25.

Vertaal: jij praat

(a)  

26.

Vertaal: zij spelen

(a)  

27.

Vertaal: jullie heten

(a)  

28.

Hoe maak je een voltooid deelwoord van een regelmatig werkwoord?

(a)  

29.

hoe maak je een voltooid deelwoord wanneer een werkwoord eindigt op -ieren?

(a)  

30.

Vertaal: gefotografeerd

(a)  

31.

Vertaal: bezocht

(a)  

32.

Vertaal: geen honden

(a)  

33.

Vertaal: een huis

(a)  

34.

Vertaal: mijn woning

(a)  

35.

Vertaal: jullie zus

(a)  

36.

Vertaal: onze vader

(a)  

37.

Vertaal: jouw moeder

(a)  

38.

Wanneer de stam van een regelmatig werkwoord eindigt op een m of n:

a)

Krijg je ook eerst bij alles een extra e

b)

Krijg je alleen bij du/er/sie/es/man/ihr een extra e

c)

gebeurt er niets

d)

krijg je gewoon de uitgang van feesttenten

39.

Vertaal: jullie ademen

(a)  

40.

Vertaal: het regent

(a)  

41.

Vertaal: jij rekent

(a)  

42.

Vertaal: geopend

(a)  

43.

Welk geheugensteuntje heb je om de voorzetsels van de vierde naamval te onthouden?

(a)  

44.

Ich kann nicht ohne (a)   leben (jij)

45.

Hier ist ein Stuhl für (a)   (u)

46.

Ohne (a)   gehe ich nicht (jullie)

47.

Für (a)   hast du das Buch gekauft? (wie)

48.

Haben Sie gegen (a)   gespielt? (wij)

49.

Durch (a)   hast du gewonnen! (ik)

50.

Für (a)   haben wir ein Haus gekauft. (hij)