Worksheetsklas 1 Futur proche
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Qu'est-ce qu'elle va faire? ( luister en geef antwoord)
Ze gaat iets kopen
Ze gaat iets verkopen
Ze gaat winkelen
Ze gaat iets aantrekken
Vertaal: Hij gaat een zwarte spijkerbroek kopen.
Il va acheter un jean noir
Il va dépenser un jean noir
Il achète un jean noir
Il dépense un jean noir
Ils vont donner un cadeau à Isabelle= ?
Zij geven Isabelle een cadeau
Hij geeft Isabelle een cadeau
Zij gaan Isabelle een cadeau geven
Isabelle gaat hen een cadeau geven.
Nous allons acheter trois jupes vertes. = ?
We kopen drie rode rokken.
We gaan drie rode rokjes kopen
We gaan drie groene jurken kopen
We gaan drie groene rokken kopen
Jullie gaan Parijs bezoeken.
Nous allons visiter Paris
Vous visitez Paris
Vous aller visitez Paris
Vous allez visiter Paris
Qu'est-ce qu'il va faire ? ( luister en geef antwoord)
David va porter des billets chers
David va porter un basket et un jean
David va porter des baskets jaunes
David va porter des basket jaune
Wat zijn de juiste vervoegingen van het rijtje van aller/gaan?
Je vai - tu vas - il/elle/on va - nous allons - vous allez - ils/elles vont
Je vais - tu va - il/elle/on vas - nous allons - vous allez - ils/elles vont
Je vais - tu vas - il/elle/on va - nous alons - vous allez - ils/elles vont
Je vais - tu vas - il/elle/on va - nous allons - vous allez - ils/elles vont
Hoe maak je de futur proche?
Vorm van gaan / aller + heel werkwoord
Vorm van zijn/ être + heel werkwoord
Vorm van avoir / hebben + heel werkwoord
Vorm van zullen + heel werkwoord
Qu'est -ce que tu vas acheter?
Je vas acheter un peluche
Je vais acheter une peluche
Tu vas acheter un peluche
Tu va acheter une peluche
We gaan geen bril dragen.
Nous ne portons pas de lunettes
Nous n'allons portons pas de lunettes
Nous n'allons pas porter des lunettes
Nous n'allons pas porter de lunettes
