wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Evolutie groot

Total questions: 22

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Door klimaatverandering (vroeger en nu) zijn er diersoorten uitgestorven.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Zowel het ontstaan als het uitsterven van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Bekijk de afbeelding. Welke groep dieren is het oudste: de oervogel, het vogelachtig kruipend dier of de eerste krokodillen?

a)

de oervogel

b)

het vogelachtig kruipend dier

c)

de eerste krokodillen

4.

Bekijk de afbeelding. In welke periode zijn de eerste reptielen ontstaan?

a)

het tertiair

b)

het jura

c)

het carboon

d)

het perm

5.

Hoeveel miljoen jaar geleden begon de ontwikkeling van de apen van de oude wereld als aparte groep volgens de gegevens in de stamboom?

a)

ongeveer 10 miljoen jaar geleden

b)

ongeveer 25 miljoen jaar geleden

c)

ongeveer 35 miljoen jaar geleden

d)

ongeveer 38 miljoen jaar geleden

6.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

7.

Welke uitspraken zijn juist? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Krokodillen zijn meer verwant aan vogels dan aan leguanen

b)

Veren hebben zich tijdens de evolutie eerder ontwikkeld dan haren.

c)

Koeien hebben meer verwantschap met de walvissen dan met de mensen

d)

Leguanen en buideldieren hebben beide vruchtvliezen

8.

Wat is creationisme?

a)

God heeft de wereld en de mens geschapen.

b)

Schisma van de westerse kerk.

c)

Smoothie.

d)

Hoofdstad van Polen.

9.

Wat is de betekenis van de 'australopithecus'?

a)

Zuidelijke aap.

b)

Slimme aap.

c)

Oermens.

d)

Eerste mens.

10.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
11.
Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voor ouder hebben.
a)
Waar
b)
Niet waar
12.
Dieren die allebei vliegen met hun vleugels zijn altijd verwant.
a)
Niet waar, want ze kunnen verschillende voorouders hebben.
b)
Waar, want ze hebben dezelfde voorouder.
13.
De walvis is van het land weer terug het water in gegaan.
a)
Waar
b)
Niet waar
14.
Wijsheidstanden, de appendix, het staartbeentje zijn voorbeelden van....
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
15.
 ..... zijn organen met hetzelfde bouwplan waarvan de oorspronkelijk functie door veranderende omstandigheden in de loop van de evolutie zijn aangepast
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
16.
Organen met een verschillend bouwplan maar met dezelfde functie noemt men
a)
homologe organen
b)
analoge organen
c)
rudimentaire organen
17.
Welke verklaring geeft het beste het verschil aan tussen de theorie van Lamarck en het begrip natuurlijke selectie dat Darwin gebruikte?
a)
Volgens de theorie van Lamarck wordt evolutie gestuurd, en natuurlijke selectie is ongestuurd.
b)
Lamarck dacht aangeleerde vaardigheden erfelijk waren en natuurlijke selectie gaat ervan uit dat dat onmogelijk is.
c)
Vroeger vond evolutie plaats zoals Lamarck dacht en nu vindt natuurlijke selectie plaats.
d)
Er is geen verschil, Darwin leefde alleen later dan Lamarck
18.
Welke van de volgende ideeën hebben de evolutietheorieën van Darwin als Lamarck gemeenschappelijk?
a)
Adaptatie is het resultaat van interactie tussen een organisme en zijn omgeving.
b)
Adaptatie is het resultaat van het gebruiken of niet gebruiken van een anatomische structuur.
c)
Onderzoek naar fossielen geeft aan dat soorten onveranderlijk zijn.
d)
Evolutie drijft een organisme naar een grotere complexiteit.
19.
Welke van de onderstaande omschrijvingen van een proces geeft of welke geven een juiste omschrijving van (een deel van) het begrip natuurlijke selectie?
1. Een proces dat het verdwijnen van soorten met ongunstige genen bevordert.
2. Een proces waardoor genfrequenties veranderen onder invloed van veranderende milieufactoren.
a)
Geen van beide omschrijvingen
b)
Alleen omschrijving 1
c)
Alleen omschrijving 2.
d)
Zowel omschrijving 1 als omschrijving 2.
20.

Kijk naar de afbeelding. Je ziet een poot van een konijn, een poot van een sprinkhaan en een poot van een kikker.

Welke van deze poten vertonen een homologe bouw?

a)

konijn en sprinkhaan

b)

kikker en konijn

c)

kikker en sprinkhaan

21.
 ..... zijn organen met hetzelfde bouwplan waarvan de oorspronkelijk functie door veranderende omstandigheden in de loop van de evolutie zijn aangepast
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
22.

In het plaatje hiernaast zie je steeds hetzelfde bot in verschillende diersoorten. Waar is dit een voorbeeld van?

a)

Rudimentaire structuren

b)

Embryologie

c)

Homologe structuren

d)

Fossiele structuren