Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SE toets H1, H2 en H3

Total questions: 32

Worksheet time: 2hrs 46mins

Name
Class
Date
1.

Schrijf je voornaam, achternaam en je klas op.

4 lines
2.

Nederland is bekend om zijn weidevogels.

Sommige soorten weidevogels zijn aangepast aan het leven in natte gebieden.

Een voorbeeld hiervan is de grutto.

Enkele delen van een grutto zijn: de ogen, de poten en de snavel.


Aan welke twee delen kun je zien dat de grutto is aangepast aan zijn leefomgeving? (bekijk het plaatje!)

a)

Aan de ogen en aan de poten

b)

Aan de ogen en aan de snavel

c)

Aan de poten en aan de snavel

3.

Weidevogels, zoals de grutto, leven onder andere van wormen.

Wormen zijn goed voor de grond.

Wormen maken de grond luchtig en eten afgestorven planten, zoals gras.


Welke voedselketen is juist?

a)

grasplant → worm → grutto

b)

worm → grutto → grasplant

c)

grutto → grasplant → worm

4.

Er is veel onderzoek gedaan naar de aantallen van bepaalde soorten weidevogels.

Een deel van de resultaten is als plaatje weergegeven.


Vergeleken met 1990 was van veel soorten weidevogels het aantal in 2002 lager.

Welke van de onderzochte soorten weidevogels kwam in 2002 juist meer voor? (Gebruik de grafiek uit het plaatje)

a)

Grutto

b)

Kievit

c)

Scholekster

d)

Tureluur

5.

Bij een ander onderzoek werd gekeken naar wat er gebeurde met de eieren in de nesten van weidevogels.

Een deel van de resultaten is in de tabel weergegeven. (plaatje)


Hoeveel procent van de eieren uit het onderzoek is uitgekomen?

a)

11%

b)

43%

c)

57%

6.

In de afbeelding is een deel van een grasland weergegeven. Enkele organismen die erin voorkomen zijn: een grasplant, een muis en een torenvalk.


We verdelen organismen in consumenten, producenten en reducenten.

Welk organisme uit de afbeelding is een producent?

a)

de grasplant

b)

de muis

c)

de torenvalk

7.

In de afbeelding zijn cellen te zien.

Van welk organisme uit afbeelding 8 op blz. 18 zijn deze cellen afkomstig?

a)

gras

b)

muis

c)

torenvalk

8.

In de afbeelding zijn enkele voedselrelaties weergegeven.

Daar is te zien dat een zeehond onder andere haring eet.


Welke twee andere soorten voedsel eet een zeehond volgens de afbeelding?


a)

kabeljauw en mossel

b)

kabeljauw en schol

c)

mossel en schol

9.

Kiezelwieren

Kiezelwieren leven in het water en kunnen van koolstofdioxide zuurstof maken. Hierbij vormen ze ook glucose. Ditzelfde stofwisselingsproces vindt ook plaats bij andere planten.

Hoe heet het stofwisselingsproces waarbij in kiezelwieren zuurstof gemaakt wordt?

a)

fotosynthese

b)

verbranding

c)

vertering

10.

Net als veel andere organismen hebben kiezelwieren cellen met een celwand. Welke groep organismen heeft of welke groepen organismen hebben ook cellen met een celwand?

a)

alleen bacteriën

b)

alleen dieren

c)

alleen schimmels

d)

bacteriën en dieren

e)

bacteriën en schimmels

11.

Supercoole eekhoorn

Een toendra-eekhoorn in winterslaap heeft een lichaamstemperatuur van -3 °C. Dat is 11 °C lager dan bij andere dieren die een winterslaap hebben. Tijdens een winterslaap wordt ook de hartslag en ademhaling vertraagd.

Hierboven is een aantal levenskenmerken genoemd. Schrijf een ander levenskenmerk op dan die hierboven genoemd worden.

4 lines
12.

Een jakhals heeft knipkiezen en een dikdik (klein soort hert) heeft plooikiezen. Welk van de twee heeft het langste darmkanaal en waarom?

a)

De dikdik want het is een planteneter

b)

De dikdik want het is een vleeseter

c)

De jakhals want het is een planteneter

d)

De jakhals want het is een vleeseter

13.

Welk levenskenmerk stellen de pijlen in een voedselketen of voedselweb voor?

a)

reageren op prikkels

b)

voeden

c)

voortplanting

14.

Hieronder staat de verbranding schematisch weergegeven 2 plekken zijn ingevuld met cijfers wat moet er op de plek van deze cijfers staan?


Glucose + 1 -> water + 2


a)

1 = koolstofdioxide 2 = zuurstof

b)

1 = zuurstof 2 = koolstofdioxide

15.

De schedel botten van een pasgeboren baby zitten nog niet aan elkaar vast en er zijn ruimtes tussen de schedelbotten (de fontanellen). Bij het ouder worden verdwijnen de fontanellen.

Wat is de functie van deze fontanellen bij de geboorte van de baby?

4 lines
16.

Op welke manier zijn de schedelbotten bij een volwassene met elkaar verbonden?

a)

met gewrichten

b)

met kraakbeenverbindingen

c)

met naadverbindingen

17.

Welk soort gewricht is het teengewricht?

a)

een kogelgewricht

b)

een rolgewricht

c)

een scharniergewricht

18.

Paarse schubwortels zijn zeldzame planten met paarse bloemen. De planten boren met hun wortel gaatjes in de vaatbundels van ander planten. Vervolgens zuigen paarse schubwortels sappen uit deze vaatbundels. Hierdoor hebben paarse schubwortels geen fotosynthese meer nodig. Welke stof zuigen de paarse schubwortels uit de vaatbundels van andere planten?

a)

glucose

b)

Koolstofdioxide

c)

Zetmeel

d)

zuurstof

19.

Peter onderzoekt organismen in een bos. Hij ziet een paddenstoel op een dode boomstronk. Een paddenstoel is het voortplantingsorgaan van een schimmel.

Is deze schimmel een consument, een producent of een reducent?

a)

een consument

b)

een producent

c)

een reducent

20.

Peter ziet in het bos veel organismen: − een havik (roofvogel); − een eekhoorn die beukennootjes verzamelt; − processierupsen die blaadjes van een eikenboom eten; − een gaai (vogel) die rupsen eet. Welke organismen moeten er op de plaats van de cijfers komen?

-> is een pijltje


1 -> processierups -> 2 -> 3

a)

1= havik 2= gaai 3= eik

b)

1= gaai 2= eik 3= havik

c)

1= eik 2= havik 3= gaai

d)

1= eik 2= gaai 3= havik

e)

1= gaai 2= havik 3= eik

21.

Organismen worden ingedeeld in consumenten, producenten en reducenten. Welke van deze groepen komen in een voedselweb voor?

a)

Alleen producenten

b)

Alleen consumenten

c)

Alleen reducenten

d)

Alleen producenten en consumenten

e)

Alleen producenten en reducenten

22.

Een wolf is een vleeseter. Welk type kiezen heeft een wolf?

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

23.

Vogels hebben geen zweetklieren.

Bij warm weer zie je vogels daarom vaak stilzitten en met open snavel zeer snel ademhalen.

Waarvoor dient deze snelle manier van ademhalen bij warm weer vooral?

a)

om meer water te verdampen

b)

om meer zouten uit te scheiden

c)

om meer zuurstof op te nemen

24.

Met een slurf kan een olifant iets vastpakken.

Is een slurf een weefsel, een orgaan of een

organisme?

a)

een weefsel

b)

een orgaan

c)

een organisme

25.

Calcium is voor de mens een belangrijke stof.

Calcium wordt ook wel kalk genoemd.

Calcium is belangrijk voor de opbouw van een bepaald orgaanstelsel.

Welk orgaanstelsel wordt hier bedoeld?

a)

het bloedvatenstelsel

b)

het bottenstelsel

c)

het zenuwstelsel

26.

In afbeelding 6 zijn drie soorten cellen weergegeven. Welke tekening geeft een bacterie weer?

a)

tekening 1

b)

tekening 2

c)

tekening 3

27.

In het lichaam werkt een groot aantal spieren.

Zelfs als je slaapt, zijn sommige spieren actief.

Noem één spier die ‘aan het werk is’ als je slaapt.

4 lines
28.

Orgaan R uit de afbeelding is een deel van een orgaanstelsel.

Van welk orgaanstelsel is orgaan R een deel?

a)

van het ademhalingsstelsel

b)

van het bloedvatenstelsel

c)

van het spijsverteringsstelsel

29.

Wat is de naam van orgaan P

(a)  

30.

Iemand met platvoeten raakt de grond met een groter voet-oppervlak dan normaal. Dat is te zien op de afbeelding.

Welke botten drukken bij een platvoet meer op de grond dan bij een gewone voet?

a)

de middenvoetsbeentjes

b)

de teenkootjes

c)

de voetwortelbeentjes

31.

Wat is de naam van bot P?

a)

borstbeen

b)

halswervel

c)

sleutelbeen

32.

Met je arm kun je een veertje optillen, maar ook een zware steen. Hierbij gebruik je dezelfde spieren. Thara meet de omtrek van een bovenarm bij het tillen van verschillende gewichten. Welke grafiek geeft haar resultaten juist weer?

a)

grafiek 1

b)

grafiek 2

c)

grafiek 3